Een gezinsvoogd heeft geen gezag over een kind. Het gezag berust nog steeds bij de ouders.
Laat uw kind vergezellen door zijn eigen advocaat
RBNNE:2019:2864 (19-04-2019)
RBZWB:2024:3359 24-05-2024
Over verspilling gesproken.
RBZWB:2024:559 (02-02-2024)
RBMNE:2024:4083 (17-07-2024)
De Hoge Raad heeft in 2003 uitgesproken, dat kinderrechter en hof het belang van het kind zelfstandig moeten beoordelen, en ook moeten kijken naar wat er gebeurd is sinds de beslissing van Bjz.
ECLI:NL:HR:2018:2321
googelt u GHDHA 2015 1084
zie ook GHARL:2016:199 en GHSHE 2016 1869
Bjz mag geen diagnoses laten stellen door anderen dan psycholoog of psychiater
googelt u RBOBR 2015 203
gogelt u GHARL 2015 6655 en ook GHARL:2021:9356 d.d. 05-10-2021:
5.1
Het hof dient allereerst te beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft.
5.2
Het inleidend verzoek van de raad valt binnen het materieel toepassingsgebied van de Verordening 2201/2003 van de Raad van de Europese Unie van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (Verordening Brussel II-bis), zoals neergelegd in artikel 1 lid 1 sub b, artikel 1 lid 2 onder a en d en artikel 2 aanhef en onder 7 van deze verordening, aangezien een ondertoezichtstelling de ouderlijke verantwoordelijkheid beperkt. Het formeel toepassingsgebied van Brussel II-bis volgt uit artikel 8 van deze verordening. In dat artikel is bepaald dat, onder voorbehoud van het bepaalde in de artikelen 9, 10 en 12, ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd zijn de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan het kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt, dat wil zeggen het tijdstip waarop het inleidend gedingstuk wordt ingediend.
In deze zaak was dat op 11 maart 2021.
5.3
Brussel II-bis bevat geen definitie van het begrip “gewone verblijfplaats”. Volgens bestendige jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie is de “gewone verblijfplaats” de plaats die een zekere integratie van het kind in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Die plaats moet worden bepaald aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daartoe moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van een lidstaat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. De bedoeling van de met het gezag belaste ouder om zich met het kind in een andere lidstaat te vestigen, waaraan uiting is gegeven door bepaalde tastbare maatregelen zoals de koop of de huur van een woning of de aanvraag voor een sociale woning in de lidstaat van ontvangst, kan een aanwijzing zijn voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats. Voor de verplaatsing van de gewone verblijfplaats naar de lidstaat van ontvangst geldt vooral de wens van betrokkene om daar het permanente of gewone centrum van zijn belangen te vestigen, met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen. De duur van het verblijf kan bij de beoordeling van de bestendigheid van de verblijfplaats dus slechts een aanwijzing vormen. Bovendien kan de leeftijd van het kind van bijzonder belang zijn. Doorgaans is de omgeving van een jong kind in wezen een familiale omgeving. Voor deze omgeving is of zijn bepalend de persoon of personen bij wie het kind woont, die daadwerkelijk gezag over hem uitoefenen en voor hem zorgen. Daarbij kunnen criteria zoals de redenen voor de verhuizing van de ouders, hun talenkennis en hun geografische en familiale wortels relevant zijn.
5.4
Evenals de kinderrechter en op dezelfde gronden als de kinderrechter, die het hof na eigen onderzoek overneemt, is het hof van oordeel dat de Nederlandse rechter ten tijde van het verzoek in eerste aanleg rechtsmacht toe kwam. Het hof voegt daar het volgende aan toe. [de minderjarige] heeft op 6 maart 2021 Nederland verlaten, terwijl het verzoek in eerste aanleg op 11 maart 2021 is ingediend. De kinderrechter heeft dan ook terecht het verdrag Brussel II-bis heeft toegepast. Inmiddels is bekend dat de moeder en [de minderjarige] in [land1] verblijven. Ter mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders het voornemen hadden om op enig moment naar het buitenland ( [land2] of [land1] ) te vertrekken. De vader heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat dit vertrek is versneld doordat de raad betrokken raakte. Het hof is van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de moeder met [de minderjarige] door de dreiging van de ondertoezichtstelling halsoverkop en zonder voorbereiding zijn vertrokken. Zo heeft [de minderjarige] geen afscheid genomen op school en was er nog geen woonruimte in [land1] geregeld. Onder deze omstandigheden kan het weliswaar zo zijn dat de ouders voornemens waren definitief naar [land1] te verhuizen, maar kan niet worden geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] al vijf dagen na zijn vertrek buiten Nederland is komen te liggen.
googelt u RBNHO 2015 889
googelt u GHSHE 2016 2425
googelt u GHARL 2015 3618
googelt u GHDHA 2016 3224
zie ook GHARL 2017 2661 enGHARL 2017 260
RBZWB:2024:3358 08-04-2024
RBDHA 2016 11303
alle stress van de procedures en conflicten met de jeugdbeschermer en de vader, (de moeder)
spanningen over andere zaken, zoals de ondertoezichtstelling en de omgangsregeling.(de GI)
Daar waren de moeder en de GI het over eens: spanningen i.v.m. de OTS!
googelt u GHDHA 2015 3584
GHDHA: 2018:848
GHARL:2018:6393
RBLIM:2018:9472
RBNNE:2017:5108
RBAMS:2025:3312 (08-05-2025)
RBLIM:2018:12445 (20-12-2018)
zie ook GHARL:2019:9401 (29-10-2019)
GHAMS: 2019:3218 (03-09-2019)
GHARL:2019:9401 (29-10-2019)
RBZWB:2019:5974 (24-12-2019)
http://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI%3ANL%3AGHDHA%3A2016%3A2383
"De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt."
WAARHEIDSVINDING dus.
GHDHA:2016:2383
RBROT:2020:6989 (03-08-2020)
RBLIM:2018:9532
RBROT:2019:4656 21-05-2019
googelt u RBROT 2015 5452
GHSHE:2018:5313 (20 december 2018)
GHARL:2019:4093 (07-05-2019)
GHDHA: 2018:3352 (28 november 2018)
GHSHE:2018:1937
GHAMS:2019:4663 (17-12-2019)
(Rechtbank Den Haag 12 maart 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:3672)
RBNHO:2019:2766 (20-03-2019)
GHARL:2019:6167 (23-07-2019)
beschikking
GERECHTSHOF DEN HAAG
Afdeling civiel recht
zaaknummer : 200.266.616/01
zaakgegevens rechtbank : C/10/57 1091 / JE RK 19-984
beschikking van de meervoudige kamer van 27 november 2019 inzake
Raad voor de Kinderbescherming,
statutair gevestigd te Eindhoven,
locatie Rotterdam,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de raad.
tegen
,
wonende te ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de moeder,
- advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans te Rotterdam.
GHSHE:2018:4661
GHAMS:2017:5238
GHAMS:2019:176 (22-01-2019)
RBROT:2019:894 (31-01-2019) "Kindvriendelijke" uitspraak
GHSHE:2019:576 (14-02-2019)
googelt u GHSHE 2015 1607
googelt u HR 2015 3633 en ook PHR 2015 2425
GHARL:2020:1767 (03-03-2020)
RBROT:2020:1731 (31-01-2020)
RBROT:2020:3375 (08-04-2020)
RBMNE:2020:1857 (28-04-2020)
Over intelligentie en het verkeerd interpreteren van IQ-test resultaten
Ben Wilbrink heeft het nog eens op een rij gezet: de ontwikkeling van de IQ-test en het ontspoorde denken over intelligentie. Steeds meer onderzoek laat zien dat de uitslag op een intelligentietest sterk beïnvloed wordt door de omstandigheden waarin iemand leeft en leert. Een uitslag op een IQ-test voorspelt maar zeer ten dele hoe iemand zich zal ontwikkelen. We moeten meer oog hebben voor hoe iemand met de voor hem of haar belangrijke omstandigheden om gaat (de adaptieve vaardigheden) en voor processen die het weloverwogen nemen van beslissingen negatief beïnvloeden zoals tijdsdruk, gebrek aan ondersteuning en stress. Mooi ook dat Wilbrink Alfred Binet de plaats toebedeelt die hem toe komt. Binet wilde kinderen met een leerachterstand vroegtijdig signaleren zodat ze beter onderwijs zouden kunnen krijgen. Hij constateerde dat veel van de kinderen die hij signaleerde geen verstandelijke beperking in engere zin hadden maar dat het onderwijs hen niet op de juiste manier de juiste dingen leerde. Op de juiste manier de juiste dingen leren zou ook de doelstelling van passend onderwijs moeten zijn. Helaas is de werkelijkheid soms anders.
#intelligentie #onderwijs #LVB
https://van12tot18.nl/intelligentie-in-historisch-perspectief
HR: 2016: 295 (19-02-2016
RBNNE:2021:70 (13-01-2021)
RBROT:2021:6118 (25-06-2021)
RBROT:2021:6517 (16-06-2021)
RBDHA:2021:6964 (03-06-2021)
RBZWB:2024:4231 (06-06-2024)
RVDHA:2021:8228 (20-07-2021)
GHSHE:2022:500 (17-02-2022)
GHSHE:2022:1909 (16-06)
RBDHA:2022:7596 (30-06-2022)
GHARL:2022:7359 (23-08-2022)
RBZWB:2022:5539 (09-09-2022)
maar zie GHSHE:2022:2492 (21-07-2022)
zie ook RBROT:2022:6045 (11-07-2022)
maar RBROT:2022:5751 (18-05-2022)
GHDHA:2022:2157 (13-10-2022)
zie ook RBROT:2021:5169 (27-05-2021) en RBDHA:2021:3138 (22-03-2021)
GHSHE:2022:3473 (13-10-2022)
zie ook RBROT:2022:8751 (30-08-2022) en RBROT:2022:1168 (15-02-2022)
RBDHA:2022 (19-10-2022)
GHARL:2022:10412 (01-12-2022)
GHSHE:2023::66 12-01-2023
RBZWB:2022:8425 21-12-2022
GHAMS:2023:1114 (16-05-2023)
RBROT:2023:4548 (09-05-2023)
GHAMS:2023:1114 (16-05-2023)
RBNHO:2023:6455 (21-06)
GHAMS:2023:1816 (25-07-2023)
zie ook RBROT:2022:3994 (12-05-2022) en RBZWB:2022:1830 (31-03-2022) en RBROT:2022:1484 (16-02-2022) en RBZWB:2022:932 (17-02-2022) en RBROT:2022:1354 (23-02-2022) en RBZWB:2023:3806, GHSHE:2023:490 (09-02-2023
RBROT:2023:9435 (4-10 of 11-10 2023)
GHSHE:2024:1677 (16-05-2024)
NNE:2025:1043 (19-03-2025)
RBZWB:2025:8538 (05-11-2025)
RBZWB:2025:8120 (14-11-2025)