Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Een gezinsvoogd die zelf onderzoekt of wat in de stukken van de RvdK staat wel klopt? Hulde!

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
2.

[de minderjarige] staat sinds 2 augustus 2017 onder toezicht van de GI.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 2 augustus 2019.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Voor de in hoger beroep aangevoerde grieven verwijst het hof naar de inhoud van het beroepschrift.

3.5.

De GI heeft schriftelijk verweer gevoerd.

3.6.

Ter zitting van het hof is namens de GI het volgende naar voren gebracht.

De gezinsvoogd heeft vanaf het moment dat zij betrokken is in deze zaak geprobeerd te achterhalen waarom men destijds heeft geconcludeerd dat bij [de minderjarige] sprake was van een ernstige ontwikkelingsbedreiging, zoals is verwoord in het rapport van de raad van 28 juni 2017. De gezinsvoogd wilde zich niet beperken tot het lezen van de stukken, maar heeft ook eigen onderzoek gedaan. De gezinsvoogd heeft het niet kunnen achterhalen. Bovendien hebben zich in de loop van de tijd enkele ontwikkelingen voorgedaan.

De professionele partijen die de gezinsvoogd heeft geconsulteerd, zijnde het [vestigingsnaam] Psychologisch Instituut (EPI) waar [de minderjarige] is onderzocht en stichting De Combinatie, hebben aangegeven dat [de minderjarige] , afgezien van de weerstand tegen de vader, als mens een ontwikkeling doormaakt die niet kan worden geschaard onder de noemer ontwikkelingsbedreiging. Mevrouw [psycholoog] , psycholoog bij EPI, is vanaf de aanvang betrokken geweest. Zij heeft aangegeven dat [de minderjarige] letterlijk ziek wordt als hij tot contact met de vader gedwongen wordt en zij acht het dan ook niet wenselijk om de omgang (verder) te forceren; mevrouw [psycholoog] kan niet inschatten waar het dan voor [de minderjarige] zou eindigen. De gezinsvoogd heeft verder intensief contact gehad met de moeder en [de minderjarige] en intern overleg gevoerd. De gezinsvoogd heeft ook nog contact gehad met de raad. De raad geeft aan dat [de minderjarige] reageert zoals hij reageert en denkt zoals hij denkt, maar dat men een ondertoezichtstelling daarvoor niet eindeloos kan laten voortduren.

[de minderjarige] is een intelligente jongen – school is zeer tevreden over [de minderjarige] – maar ook zijn emotionele ontwikkeling is belangrijk. [de minderjarige] kan zichzelf hierin op latere leeftijd tegenkomen, bijvoorbeeld als hij zelf vader wordt. De gezinsvoogd gunt het [de minderjarige] dat hij leert om beter met zijn emoties om te gaan, daar waar het gaat over het onderwerp vader. Het zou [de minderjarige] evenwel geen recht doen om te stellen dat de gronden voor een ondertoezichtstelling (nog) aanwezig zijn.

Het traject Kindercoach van De Combinatie kan alsnog op enig moment worden ingezet als [de minderjarige] daar behoefte aan zou hebben. Nu zou dat zoveel stress opleveren dat het slechts averechts zou werken.

3.7.

De moeder heeft ter zitting, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De moeder is erg blij met de manier waarop de huidige gezinsvoogd te werk is gegaan. Zij is niet zomaar uitgegaan van de onwaarheden die in de stukken beschreven stonden. De gezinsvoogd is er voor [de minderjarige] geweest. [de minderjarige] begreep niet dat men van mening was dat hij in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Hij heeft immers een leuk leven en het gaat goed met hem. De moeder wilde haar medewerking verlenen aan de hulpverlening voor [de minderjarige] , maar niet als dit hem meer schaadt dan dat het hem iets oplevert. Bovendien zou hulpverlening zoals van de Kindercoach van De Combinatie, als [de minderjarige] daar behoefte aan heeft, ook in een vrijwillig kader kunnen worden ingezet. Het onderwerp vader is altijd bespreekbaar geweest. Als [de minderjarige] behoefte krijgt om de vader een plek in zijn leven te geven, zal de moeder hem daartoe alle gelegenheid bieden. Wanneer de moeder merkt dat [de minderjarige] daarin vastloopt, zal zij daar dan iets mee doen.

3.8.

De vader heeft ter zitting, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

De vader sluit zich aan bij hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Hoewel de situatie hem veel verdriet doet, wil hij het contact met [de minderjarige] niet forceren en hem niet meer belasten dan goed voor hem is. De vader ziet dat [de minderjarige] het goed doet op school en dat in dat kader al veel van hem wordt gevraagd.

Hij had [de minderjarige] graag een kans gegeven om zelf te zien dat de vader die er vroeger nooit voor hem was, zijn leven nu op de rit heeft gekregen. De vader heeft een goede baan, een woning en hij is schuldenvrij. De vader had [de minderjarige] graag de gelegenheid gegund om hem als vader te leren kennen zoals hij nu is.

De vader is echter van mening dat er geen ontwikkelingsbedreiging is.

De vader hoopt dat de moeder [de minderjarige] de ruimte kan geven om het contact met hem te herstellen, mocht [de minderjarige] daar in de toekomst behoefte aan krijgen.

3.9.

Het hof overweegt het volgende.

3.9.1.

Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, ... 

3.9.3.

Het hof stelt vast dat de GI ter zitting in hoger beroep een gewijzigd standpunt heeft ingenomen ten opzichte van de verlenging van de ondertoezichtstelling.

De huidige gezinsvoogd heeft op basis van eigen onderzoek, waarbij zij zich heeft ingelezen en (intensieve) gesprekken heeft gevoerd met alle betrokken personen en instanties, geconcludeerd dat van een (ernstig) bedreigde ontwikkeling geen sprake (meer) is bij [de minderjarige] . Het blijven inzetten op contact van [de minderjarige] met zijn vader roept bij haar de vraag op waarin dat voor [de minderjarige] zou eindigen. In dat kader acht de GI het van belang dat psycholoog [psycholoog] (EPI) heeft verklaard het niet in het belang van [de minderjarige] te achten dat contact wordt geforceerd. De vader heeft zich ter zitting van het hof begripvol getoond en zich in dat opzicht aangesloten bij de visie van de GI dat de situatie zich niet meer leent voor een ondertoezichtstelling. Dat maakt dat alle betrokkenen van mening zijn dat een ondertoezichtstelling geen weerwaarde meer heeft in deze situatie. ...

De ondertoezichtstelling heeft in deze situatie dan ook geen toegevoegde waarde meer, waarbij het hof in aanmerking neemt dat deze dwangmaatregel was opgelegd om de banden tussen [de minderjarige] en de vader te ontwikkelen, wat in een vrijwillig kader tot dan toe niet gelukt was. Hoe spijtig het ook is dat dit doel van de ondertoezichtstelling niet is gehaald, is dat in het geval van [de minderjarige] onvoldoende reden de ondertoezichtstelling te verlengen. De verwachting is namelijk dat het evenwicht dat [de minderjarige] nu in zijn leven heeft bereikt, door druk op hem uit te oefenen, wankel wordt. Een ondertoezichtstelling zou derhalve op dit moment contraproductief werken.

De gezinsvoogd heeft [de minderjarige] (en de moeder) op het hart gedrukt dat het van belang is en blijft om regelmatig stil te staan bij wat het betekent als een biologische vader geen rol speelt in het leven van een kind, terwijl, zo vult het hof aan, de vader in dezen thans wel een rol van betekenis lijkt te kunnen innemen, aangezien hij nu anders in het leven staat en zich beschikbaar en betrouwbaar toont. In dit kader heeft de gezinsvoogd opgemerkt dat zij het [de minderjarige] gunt zich in zijn emoties optimaal te ontwikkelen, ook wat betreft het onderwerp vader.

Het is op grond van het voorgaande dat het hof van oordeel is dat een ondertoezichtstelling in ieder geval op dit moment niet meer opportuun is om de houding van [de minderjarige] ten opzichte van de vader te keren.

3.10.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd voor zover het de periode vanaf heden betreft en dat het inleidende verzoek van de GI in zoverre alsnog dient te worden afgewezen.


Ga terug