Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Dit ongeboren kind kreeg 30-04-2018 ots, maar 23-10-2018 opgeheven

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is onder andere het volgende gebleken. [kind b] is voorafgaande aan haar geboorte onder toezicht gesteld vanwege zorgen die bestonden over het belaste verleden van de moeder, waarin sprake was

van huiselijk geweld, en haar persoonlijke problematiek. De moeder is gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis en ADHD. Bij de ondertoezichtstelling van [kind b] speelde tevens de relatie tussen de moeder en [kind a] en het gedrag van [kind a] een rol. [kind a] is in augustus 2017 uit huis geplaatst, nadat de escalaties tussen hem en de moeder steeds heftiger werden en waarbij ook sprake was van fysiek geweld. Tussen de moeder en [kind a] was sprake van een symbiotische relatie waarbij zij niet met en niet zonder elkaar leken te kunnen. Bovendien liet [kind a] gedrag zien dat gerelateerd is aan een onveilige hechting. Vanuit Queeste is geconcludeerd dat onverwerkte trauma’s uit het verleden de moeder in de weg hebben gezeten bij het ontwikkelen van een goede ouder-kind relatie tussen de moeder en [kind a] . De zorgen van de raad bij het onderhavige verzoek tot ondertoezichtstelling waren met name gelegen in de onduidelijkheid of de moeder in staat zou zijn voldoende responsief en sensitief op de verwachte baby te reageren en de baby voldoende zou kunnen toekomen aan een veilige hechting aan haar opvoeder.

In het licht van het voorgaande acht het hof de aanvankelijke zorgen van de raad gegrond. Naar het oordeel van het hof waren ten tijde van de bestreden beschikking voldoende gronden aanwezig voor de ondertoezichtstelling van [kind b] . Het hof zal de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

Thans zijn zowel de GI als de raad van mening dat de ondertoezichtstelling van [kind b] per heden kan worden opgeheven. [kind b] ontwikkelt zich positief en de moeder heeft meegewerkt aan de geboden en noodzakelijk geachte hulpverlening. De GI heeft vertrouwen erin dat zij dit ook in de toekomst zal blijven doen in een vrijwillig kader. De moeder ontving al voordat zij zwanger was van [kind b] ambulante begeleiding vanuit Queeste. Thans volgt zij ook een behandeling bij een psycholoog in verband met haar borderline persoonlijkheidsstoornis alsmede EMDR-therapie voor het verwerken van trauma’s uit haar verleden. Daarnaast ontvangt zij hulpverlening in de vorm van “Theraplay” om de relatie met [kind b] te verstevigen. Uit het verslag van Queeste blijkt dat de moeder rustig is, dat zij sensitief en responsief op [kind b] reageert en veel lichamelijk contact met haar maakt. Binnen de ondertoezichtstelling van [kind b] zijn volgens de GI geen doelen meer waaraan gewerkt dient te worden.

Gelet op het voorgaande, is het hof met de GI en de raad van oordeel dat de gronden voor ondertoezichtstelling van [kind b] thans niet meer aanwezig zijn. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen voor zover de ondertoezichtstelling ziet op de periode vanaf heden en het inleidend verzoek van de raad in zoverre afwijzen. Het subsidiaire verzoek van de moeder de duur van de ondertoezichtstelling te beperken tot maximaal zes maanden, tot uiterlijk 30 oktober 2018, behoeft aldus geen bespreking meer.


Ga terug