Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Schriftelijke aanwijzing van William Schrikker geheel vervallen

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
 

Uit de uitspraak van de Hoge Raad van 14 december 2018 ( ECLI:NL:HR:2018:2321) volgt dat de GI niet langer aan de algemene aanwijzingsbevoegdheid van artikel 1:263 Burgerlijk Wetboek (BW) de bevoegdheid kan ontlenen tot het geven van contact beperkende aanwijzingen. Buiten het geval van uithuisplaatsing, waarvoor art. 1:265f BW een bijzondere regeling bevat, dient de GI zich dus steeds op de voet van art. 1:265g BW tot de kinderrechter te wenden wanneer zij voor de duur van de ondertoezichtstelling contact beperkende maatregelen in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht. De GI was dus niet bevoegd een contact beperkende aanwijzing te geven aan de vrouw. De rechtbank verklaart de aanwijzing alleen al om die reden geheel vervallen.

...
 

De rechtbank acht het belangrijk voor de minderjarigen dat zij contact hebben met de vrouw. De contacten tussen hen zijn goed verlopen. Er is geen sprake van contra-indicaties voor een zorgregeling. Wel is het van belang dat zowel de oudste minderjarige als de man weer vertrouwen krijgt in de vrouw. De vrouw moet daarom de gelegenheid krijgen om te laten zien dat zij dit vertrouwen verdient. De rechtbank zal daarom tussen de vrouw en de minderjarigen een voorlopige zorgregeling vaststellen, als hierna in de beslissing is vermeld. De rechtbank ziet in wat is aangevoerd geen aanleiding om in de frequentie van de contacten onderscheid te maken tussen de twee minderjarigen, zoals de GI heeft gedaan. Het contact zal eenmaal per week plaatsvinden, zodat het aantal keren van overdracht beperkt blijft. Dit is met name belangrijk voor de oudste minderjarige. De rechtbank beslist zoals hierna is vermeld.

 


Ga terug