OTS en uhp zijn voor bepaalde tijd; de GI dient steeds te bezien of terugkeer naar huis mogelijk is

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>

3.10.3.

Zoals het hof reeds in zijn beschikking van 28 augustus 2014 heeft overwogen dient gedurende de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de zoon] de positie van de moeder doorlopend te worden beoordeeld, nu deze maatregelen steeds gericht dienen te zijn op thuisplaatsing van [de zoon], tenzij de stichting op goede gronden van mening is dat deze doelstelling niet kan worden behaald en een verderstrekkende maatregel noodzakelijk is.

Het hof stelt vast dat de feitelijke situatie van [de zoon] inmiddels is gewijzigd. Hij woont sinds 10 september 2014 in het huidige netwerkpleeggezin. [de zoon] gaat naar het MKD en krijgt daar de gespecialiseerde hulp die hij nodig heeft. [de zoon] verblijft sinds januari 2015 eenmaal in de twee weken van vrijdag tot en met zondag bij de moeder. Bij de contacten met [de zoon] wordt de moeder begeleid door een medewerker van Radar. De stichting heeft niet weersproken dat de tweewekelijkse weekenden waarin [de zoon] bij de moeder verblijft goed verlopen.

Ter zitting van het hof is gebleken dat [de zoon] erg bezig is met het feit dat hij bij de moeder thuis wil opgroeien en dat hun onderlinge band hecht is. Hij heeft er veel moeite mee dat hij niet bij de moeder woont en slechts eenmaal in de twee weken gedurende een weekend bij de moeder verblijft. De huidige situatie belast [de zoon] dan ook, hetgeen zijn emotionele ontwikkeling niet ten goede zal komen.

Ten aanzien van thuisplaatsing liggen de zorgen van de stichting vooral op het terrein van de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de zoon] en zijn veiligheid.

[de zoon] heeft een specifieke opvoedingsomgeving nodig waarin hem naast de basale zorg ook veiligheid, rust, stabiliteit, duidelijkheid en structuur geboden worden. De stichting acht de moeder onvoldoende in staat om [de zoon] de vereiste opvoedingsomgeving te bieden en zijn veiligheid te waarborgen, in het bijzonder gelet op het contact dat de moeder nog met de vader heeft.

Het hof is van oordeel dat de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt waarom de moeder met passende ambulante hulpverlening niet in staat kan worden geacht de zorg voor [de zoon] weer op zich te nemen. Mede bepalend voor dit oordeel is dat de moeder in samenspraak met de pleegouders in staat is om de handvatten die door het MKD worden aangereikt toe te passen bij de opvoeding van [de zoon] in de weekenden dat hij bij haar verblijft, zoals door de moeder is gesteld en door de stichting niet is weersproken. In dit opzicht, zo concludeert het hof, is de moeder wel leerbaar en aan te sturen. Indien en voor zover de bevindingen van Radar - die de moeder begeleiding biedt bij de weekenden die [de zoon] bij haar doorbrengt - anders zijn, had het op de weg van de stichting gelegen dit middels verslaglegging door Radar te onderbouwen.

...

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de stichting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat niet toegewerkt kan worden naar een thuisplaatsing bij de moeder en voortzetting van de uithuisplaatsing van [de zoon] gedurende de gehele looptijd van de door de rechtbank verstrekte machtiging noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

3.10.4.

Het hof zal de beschikking waarvan beroep wat betreft de daarin vastgestelde termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de zoon] vernietigen. Het hof acht het van belang dat thuisplaatsing van [de zoon] bij de moeder op een zorgvuldige en verantwoorde wijze plaatsvindt en dat [de zoon] op die terugkeer gedegen wordt voorbereid. De stichting dient voorts de gelegenheid te krijgen om in het kader van de ondertoezichtstelling de noodzakelijke hulpverlening in de thuissituatie te regelen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de machtiging uithuisplaatsing in duur dient te worden beperkt tot 1 augustus 2015


Ga terug