Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling
<< vorige pagina   
print pagina
 

Geen doelen behaald: geen verlenging ots

Jurisprudentie i.v.m. ondertoezichtstelling >>
5.8

Het hof overweegt als volgt. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is het volgende gebleken. De ouders zijn in oktober 2015 uit elkaar gegaan. Twee jaar daarvoor heeft de moeder een hartstilstand gehad. Zij heeft daarna lange tijd moeten revalideren, waardoor zij verminderd beschikbaar was voor de kinderen. Sinds het uiteengaan van de ouders verblijven de kinderen bij de vader en hebben de kinderen geen contact met de moeder. In oktober 2017 heeft de politie een zorgmelding gedaan bij Veilig Thuis, naar aanleiding van twee aangiftes van vriendinnen van [kind A] jegens de vader waarin zij hem beschuldigden van ontucht jegens hen. Veilig Thuis heeft nadien een aantal gesprekken gevoerd met de vader en de kinderen. Uit de rapportage van 16 januari 2018 blijkt dat Veilig Thuis opvoedondersteuning op dat moment noodzakelijk achtte voor het gezin. Volgens Veilig Thuis diende onderzocht te worden in hoeverre de ouders afspraken met elkaar konden maken over de kinderen, diende het contact tussen de moeder en de kinderen te worden hersteld en diende de kinderen een veilig opvoedklimaat te worden geboden, waarin voor hen voldoende ruimte was om zich te ontwikkelen en waarin zij beschikten over een eigen netwerk van familie en vrienden. Omdat deze doelstellingen onvoldoende van de grond kwamen, is de zaak nadien overgedragen aan de GI voor preventieve Jeugdbescherming. Vanaf januari 2018 heeft de GI getracht contact te leggen met de vader en de kinderen. Omdat ook dit onvoldoende van de grond kwam, heeft de GI de raad verzocht een onderzoek in te stellen naar de opvoedsituatie en veiligheid van de kinderen bij de vader en naar de noodzaak van een ondertoezichtstelling. De kinderen zijn op 5 oktober 2018 onder toezicht gesteld. De doelen van de ondertoezichtstelling waren onder andere het tot stand brengen van hulpverlenende en coachende gesprekken met de kinderen, het in kaart brengen van het welzijn en de veiligheid van de kinderen en het tot stand brengen van omgang tussen de moeder en de kinderen. Sinds de start van de ondertoezichtstelling is het moeizaam gebleken om de hulpverlening op gang te brengen. In oktober en november 2018 hebben in het kader van de ondertoezichtstelling in totaal vijf gesprekken plaatsgevonden, waarvan drie gesprekken tussen de kinderen en de GI en twee gesprekken tussen de vader en de GI. Naast deze vijf gesprekken heeft de GI de vader uitgenodigd om het gezinsplan te bespreken, waarop de vader heeft laten weten daaraan geen behoefte te hebben. Omdat het contact met de vader niet tot stand kwam, heeft de GI de vader op 29 januari 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven. Deze schriftelijke aanwijzing hield in dat de vader diende te verschijnen op gesprekken met de gezinsmanager en diende mee te werken aan de hulpverlening. Begin april 2019 heeft de GI de vader en de kinderen uitgenodigd voor een gesprek om de doelen van de ondertoezichtstelling te bespreken. Hierop hebben de vader en de kinderen afwijzend gereageerd. Nadien heeft de GI de kinderen nogmaals uitgenodigd voor een gesprek waarbij tevens de moeder aanwezig zou zijn. Hierop hebben de kinderen niet gereageerd.

5.9

Het hof overweegt dat uit het voorgaande volgt dat de hulpverlening sinds de start van de ondertoezichtstelling niet van de grond is gekomen. In het kader van de ondertoezichtstelling hebben slechts vijf gesprekken tussen de GI en de vader en de kinderen plaatsgevonden. Nadien heeft de GI getracht contact te krijgen met het gezin. Dit is nauwelijks gelukt. De GI heeft de vader op 29 januari 2019 een schriftelijke aanwijzing gegeven. De vader heeft de schriftelijke aanwijzing niet opgevolgd. De GI heeft vervolgens geen, althans onvoldoende middelen ingezet om de vader te bewegen om mee te werken aan de hulpverlening, hoewel zij ingevolge het bepaalde in artikel 1:263 lid 3 BW bijvoorbeeld de mogelijkheid heeft om de kinderrechter te verzoeken een sanctie in de vorm van een civielrechtelijk dwangmiddel op te leggen om naleving van een schriftelijke aanwijzing te realiseren. Evenmin heeft de GI ter zitting in hoger beroep duidelijk kunnen maken op welke wijze zij in het kader van de ondertoezichtstelling gestelde doelen denkt te gaan realiseren, anders dan opnieuw te proberen met de vader en de kinderen in gesprek te komen. Al met al is het hof van oordeel dat de GI, ook na het geven van de schriftelijke aanwijzing, onvoldoende concrete stappen heeft gezet en middelen heeft aangewend om de doelen te behalen. Daarom bestaat naar het oordeel van het hof thans geen goede grond meer voor ondertoezichtstelling van de kinderen, nu in het kader van de ondertoezichtstelling geen (verdere) resultaten zijn te verwachten. Daarbij komt dat het hof op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep constateert dat het op dit moment naar omstandigheden redelijk goed gaat met de kinderen. Zij hebben het afgelopen jaar beiden goed gepresteerd op school, in die zin dat [kind A] is geslaagd voor haar eindexamen en dat [kind B] over is naar de vierde klas van de Havo. [kind A] start eind augustus van dit jaar met haar vervolgopleiding en [kind B] is voornemens om na het behalen van zijn Havo diploma door te stromen naar het VWO. Daarnaast zit [kind B] op voetbal en hebben de kinderen in het kader van een recente reis naar Suriname contact (gehad) met familieleden aldaar van zowel moeders- als vaderszijde. De vader heeft ter zitting in hoger beroep onweersproken gesteld dat de kinderen inmiddels allebei beschikken over een iPad, dat [kind B] een telefoon heeft en dat de kinderen gebruik (mogen) maken van sociale media. Voorts blijkt uit de hiervoor onder 2.4 genoemde brief van 23 mei 2019 van het Openbaar Ministerie dat de strafzaak tegen de vader inmiddels is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs. Gebleken is dat de ondertoezichtstelling vanaf de aanvang veel druk, stress en spanningen bij de kinderen en het gezin heeft veroorzaakt. Het hof sluit mede hierom niet uit dat een verlenging van de ondertoezichtstelling, mede gelet op de houding van de vader ten opzichte van de hulpverlening, een averechts effect zal hebben op de kinderen en juist bijdraagt aan een bedreiging van de sociaalemotionele ontwikkeling van de kinderen, zodat ook om die reden de grond voor ondertoezichtstelling van de kinderen thans is komen te vervallen. Het hof acht het zorgelijk dat tussen de moeder en de kinderen reeds lange tijd geen sprake is van contact. Op dit moment ziet het hof echter, mede gelet op de leeftijd van de kinderen en de omstandigheid dat zij herhaaldelijk en consequent aan de verschillende betrokken hulpverleningsinstanties hebben laten weten op dit moment geen contact te willen met de moeder, geen meerwaarde van de ondertoezichtstelling voor hen. Niet is gebleken dat de ondertoezichtstelling in het tot stand brengen van dit contact ook maar enige verbetering heeft gebracht.

Dit leidt ertoe dat naar het oordeel van het hof de gronden voor verlenging van de ondertoezichtstelling van de kinderen thans niet langer aanwezig zijn. De bestreden beschikking zal derhalve worden vernietigd en het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal per heden worden afgewezen.


Ga terug