Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: 2008 - 2011
<< vorige pagina   
print pagina
 

Zijn er helemaal geen criteria voor uithuisplaatsing?

2008 - 2011 >>

Aan de Commissie voor Jeugd en Gezin van de Tweede Kamer der Staten-Generaal


Haarlem, 31 december 2009

Geachte Leden van de Commissie voor Jeugd en Gezin,
Door één van onze donateurs werden wij geattendeerd op de antwoorden die het Tweede Kamer- lid mevrouw Langkamp kreeg van het Ministerie voor Jeugd en Gezin. Haar werden namens de Minister de cijfers verstrekt van aantallen gevallen van ondertoezichtstelling (OTS) en de veel verder gaande maatregel van uithuisplaatsing (UHP), verdeeld over provincies, Grootstedelijke regio"s en Landelijk Werkende Instellingen.
U kunt deze antwoorden en aantallen (in de bijlage) zelf nazien op:
http:// www.jeugdengezin.nl/ kamerstukken/ 2009/ antwoorden-op-kamervragen-van-langkamp-over-de-explosieve-groei-van-kinderen-die-onder-toezicht-staan-van-bureau-jeugdzorg-rotterdam.asp
In de provincie Noord-Holland was volgens deze gegevens in de laatste waarnemingsperiode sprake van 1491 gevallen van OTS en liefst 1174 gevallen van UHP. De kans op uithuisplaatsing bij een OTS beliep in deze provincie daarmee bijna 80%. Dat is landelijk gezien het allerhoogste percentage; het landelijk gemiddelde ligt slechts op de helft.
Wij hebben daarom Gedeputeerde Staten van Noord-Holland aangeschreven. Deze brief en het antwoord (bijlagen 1 en 2) voegen wij bij, omdat wij deze antwoorden van algemeen belang achten.
De in de brief van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland gemaakte opmerking over pupillen snijdt hout en maakt ons inziens de zaak eerder ernstiger dan minder ernstig. De berekende kans is dan in feite de kans dat een OTS-kind in een jaar een UHP krijgt. Loopt de OTS langer dan een jaar -hetgeen vaak het geval is- dan wordt de totale kans op UHP voor zo"n kind dus groter.
Deze brief meldt dat er in de waarnemingsperiode tot 1-10-2008 (1 jaar) 2026 OTS-en zijn uitgesproken waarvan 944 (47%) een MUHP hadden, en daarna wordt geconcludeerd dat de provincie niet afwijkt van het landelijke beeld. Wij oordelen anders.
Ten eerste ging het in het antwoord van de Minister om het aantal OTS-gevallen op 1 oktober 2008 (de provincie geeft aan dat dit geen correct cijfer is). Het ging niet om het aantal OTS-uitspraken. De cijfers van 2026 uitspraken van OTS en 1491 gevallen op de einddatum van die periode kunnen wij moeilijk plaatsen.
Ten tweede zijn er veel gevallen van later uitgesproken uithuisplaatsingen en is de meting om de kans op een UHP te bepalen op het moment van het uitspreken van de OTS fundamenteel onjuist.
Dit goochelen met getallen bevreemdt ons. Zijn de cijfers die de Minister verstrekt heeft nu wel of niet juist, volledig en vergelijkbaar? Eerder was ons al opgevallen dat bij het Leger des Heils het aantal uithuisplaatsingen ontbrak. Het zou qua vergelijkbaarheid inderdaad beter zijn om uit te gaan van ofwel standen op een datum ofwel een aantal over een gegeven periode. Wat concreter gesteld: ofwel het aantal kinderen met een OTS c.q. UHP op een bepaalde datum, ofwel het aantal kinderen dat een OTS c.q. UHP kreeg in een bepaalde periode.
Nog vreemder vinden we het gemak waarmee de provincie meedeelt dat de door de Minister gegeven cijfers onjuist waren en vervolgens met een eigen interpretatie komt. De aantallen OTS en UHP zijn van belang voor de inkomsten van een Bureau Jeugdzorg. We mogen aannemen dat daar een accountantscontrole op is toegepast. Hoe kan het dan dat er verkeerde cijfers worden gecommuniceerd en de nieuwe cijfers in feite uitgaan van een andere definitie?
Dit geconstateerd hebbende voor de provincie Noord-Holland en het Leger des Heils krijgen wij eens te meer twijfels over de informatie die gegeven is over de andere provincies en instellingen.
Het zou goed zijn als de Tweede Kamer jaarlijks een staatje kreeg van alle gevallen van pupillen onder een OTS c.q. UHP op een zeker moment, zoals per 1 oktober per provincie / instelling.
Landelijk beleid dat ertoe strekt dat veel duidelijker criteria gelden voor een UHP zijn ons inziens noodzakelijk. Wij hebben de indruk dat er een belangrijke mate is van willekeur waarbij teveel niet in het belang van het kind zijnde criteria per instelling een rol spelen, zoals:
- Vrees voor risico: liever een UHP naar gesloten "zorg" (vaak een justitiële inrichting ofwel een soort gevangenis) dan bij familie of, na scheiding, de andere ouder.
- Budget: meer uithuisplaatsingen leiden tot een groter budget.
- Te grote werkdruk: gezinsvoogden willen soms daarom zorg delegeren.
Wij blijven ons zorgen maken over de kwaliteit van de informatievoorziening aan de Tweede Kamer en daarmee de controleerbaarheid en integrale kwaliteit van de Jeugdzorg in Nederland.
Met gevoelens van hoogachting en vriendelijke groet,

(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

Bijlagen:
1. Brief aan Gedeputeerde Staten van Noord-Holland d.d. 26 oktober 2009
2. Antwoord van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland d.d. 22 december 2009


Directeur Beleid, T. Kampstra, heeft namens Gedeputeerde Staten van Noord-Holland op 22 december 2009 de volgende brief geschreven:

"Geachte mevrouw Barendse-Cornelissen,

Op 26 oktober jongstleden stuurde u ins een brief waarin u vragen stelt over de groei van het aantal ondertoezichtstellingen (OTS) en machtigingen uithuisplaatsing (MUHP). Bij dezen danken wij u voor uw opmerkzaamheid. Uw brief heeft aanleiding gegeven e.e.a. uit te zoeken. Naar aanleiding hiervan berichten wij u het volgende:

U stelt dat in Noord-Holland een kans van bijna 80% is dat er over een kind ook een machtiging uithuisplaatsing wordt uitgesproken als er een ondertoezichtstelling is. Deze conclusie wordt getrokken door het aantal machtigingen uithuisplaatsing in een periode te relateren aan het aantal ondertoezichtstellingen op een peildatum. Dit is ons inziens een onterechte gevolgtrekking. Het gaat ons inziens om het aantal pupillen in een periode met een machtiging uithuisplaatsing.

Daarnaast hebben wij gekeken naar de cijfers waarvan u terecht opmerkt dat deze erg hoog zijn in vergelijking met andere provincies en stadsregio's. Hierover het volgende: Recent is geconstateerd dat in de cijfers waaraan u refereert niet correct zijn. Dit is het gevolg van omissies in de gegevens van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland. Inmiddels is dit hersteld. Hieronder verstrekken wij u de correcte gegevens:
- In de periode 1 oktober 2007-1 oktober 2008 zijn 2026 OTS-en uitgesproken, waarvan er 944 (47%) een MUHP hadden.
- In de periode 1 oktober 2008-1 oktober 2009 zijn 2108 OTS-en uitgesproken, waarvan er 897 (43%) een MUHP hadden. Een lichte daling dus ten opzichte van de vorige periode.
Overigens wil een MUHP nog niet zeggen dat een kind ook daadwerkelijk uit huis wordt geplaatst.

Uit bovenstaande cijfers blijkt dat het percentage MUHP bij Bureau Jeugdzorg Noord-Holland niet afwijkt van het landelijk beeld. Een antwoord op uw vragen 3 en 4 is ons inziens dan ook niet meer aan de orde.

Wij hopen dat wij uw vragen hiermee voldoende hebben beantwoord."


AAN GEDEPUTEERDE STATEN VAN NOORD-HOLLAND.
Provinciehuis Dreef 3
Postbus 123
2000 MD Haarlem

Haarlem, 26 oktober 2009

Geachte Leden van Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,
Door één van onze donateurs werd stichting Kinderen-Ouders-Grootouders geattendeerd op de antwoorden die het Tweedekamer-lid mevrouw Langkamp kreeg van het Ministerie voor Jeugd en Gezin. Haar werden de cijfers verstrekt van aantallen gevallen van ondertoezichtstelling (OTS) en de veel verder gaande maatregel van uithuisplaatsing (UHP).
U kunt deze antwoorden en aantallen (in de bijlage) zelf nazien op:
www. jeugdengezin.nl / kamerstukken/2009/antwoorden-op-kamervragen-van-langkamp-over-de-explosieve-groei-van-kinderen-die-onder-toezicht-staan-van-bureau-jeugdzorg-rotterdam.asp
In uw provincie was in de laatste waarnemingsperiode sprake van 1491 gevallen van een OTS en liefst 1174 gevallen van UHP. De kans op uithuisplaatsing bij een OTS is in uw provincie daarmee bijna 80%. Dat is landelijk gezien het allerhoogste percentage en het landelijk gemiddelde ligt ook slechts op de helft.
Niet alleen de hoogte van dat percentage maar ook de ontwikkeling is opmerkelijk: het heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld van 35,5% in 2006 via 54,6% in 2007 tot 78,7%, hetgeen op zich ook al weer een verdubbeling in slechts twee jaar tijd inhoudt. In 2006 ging het om 403 uit huis geplaatste kinderen en in 2008 om 1174, bijna een verdrievoudiging in twee jaar tijd!
Wij konden ons al eerder niet aan de indruk onttrekken dat erg gemakkelijk tot uithuisplaatsing (met dramatische gevolgen voor het kind) wordt overgegaan, maar deze cijfers zijn ronduit schokkend te noemen.

Onze vragen dienaangaande zijn:
1. Bent u bekend met deze cijfers?
2. Heeft u een verklaring voor de verdrievoudiging en het feit dat kennelijk de kans zo"n 80% is, dat een OTS ook leidt tot een UHP en dat uw provincie hier het "hoogste" scoort?
3. Zijn de gezinsvoogden in uw provincie niet in staat om een gezin voldoende te ondersteunen als een kind ondertoezicht is gesteld en waarom lukt dit landelijk veel beter?
4. Gaat u maatregelen nemen?
Met gevoelens van hoogachting en vriendelijke groet,

(drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)


Ga terug