Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

William Schrikker weer in de bocht (12-10)

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het hof zal eerst ingaan op de vraag of het hof het verzoek van de William Schrikker Stichting in haar brief van 9 augustus 2021 kan beoordelen. De rechtbank heeft in de beschikking van 19 oktober 2020 een omgangsregeling vastgesteld. De moeder is het hiermee niet eens en heeft hoger beroep ingesteld tegen deze beschikking. De William Schrikker Stichting heeft in het hoger beroep alleen verweer gevoerd en geen (incidenteel) hoger beroep ingesteld.

Pas in de brief van 9 augustus 2021 heeft de William Schrikker Stichting haar verzoek zoals vermeld in 2.3 gedaan. In deze fase van de procedure is het niet meer mogelijk om een verzoek te doen. Als de William Schrikker Stichting een verzoek had willen doen, had zij dit meteen in haar verweerschrift, bij incidenteel hoger beroep, moeten doen. De William Schrikker Stichting kan niet voor het eerst in hoger beroep een zelfstandig verzoek doen (artikel 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het hof zal het verzoek van de William Schrikker Stichting daarom niet beoordelen.

2.6.

Vervolgens moet het hof beoordelen welke omgangsregeling het meest in het belang van de kinderen is. In het verleden was sprake van een moeizame samenwerking tussen de moeder en de William Schrikker Stichting en de pleegmoeder, maar na de betrokkenheid van de nieuwe gezinsvoogd per 1 maart 2021, mevrouw [naam3] , is de samenwerking verbeterd. Ook is de omgangsregeling aangepast, waardoor de kinderen nu samen, dus gelijktijdig, omgang met de moeder hebben. Uit de omgangsverslagen en de verklaring van de William Schrikker Stichting op de zitting van 28 mei 2021 blijkt dat de omgang op dat moment goed verliep. Op basis van deze informatie heeft het hof in zijn beschikking van
24 juni 2021 de omgangsregeling voorlopig uitgebreid.

2.7.

Kort na de beschikking van 24 juni 2021 is mevrouw [naam3] gestopt met haar werkzaamheden voor de William Schrikker Stichting. Inmiddels is er een nieuwe gezinsvoogd aangewezen. De moeder heeft nog niet met deze nieuwe gezinsvoogd kennis gemaakt. De periode vanaf de beschikking van 24 juni 2021 heeft de moeder als zeer frustrerend ervaren. Volgens haar was er geen contact met de William Schrikker Stichting mogelijk en was er geen overleg over het inplannen van de omgang, waardoor zij vanwege haar werk omgangsmomenten heeft moeten afzeggen. De moeder heeft de afgelopen periode twee keer omgang met de kinderen gehad, waarvan één van de bezoeken in [naam4] heeft plaatsgevonden om de verjaardag van [de minderjarige1] te vieren.

2.8.

In de brief van 9 augustus 2021 en tijdens de zitting is namens de William Schrikker Stichting verklaard dat er zorgen zijn over het gedrag van de kinderen. In het verleden zijn die zorgen ook al aangevoerd, maar daarna is er een (korte) periode geweest waarbij de samenwerking en de omgang beter verliepen. Op vragen van het hof heeft de William Schrikker Stichting niet duidelijk kunnen maken van wanneer die zorgen zijn. Dit blijkt ook niet uit de choplist die op 19 juli 2021 is ingevuld. Omdat niet is gebleken dat de genoemde zorgen van recente datum zijn, op 28 mei 2021 nog is verklaard dat sprake was van een verbetering van de situatie, en na de beschikking van 24 juni 2021 slechts twee keer omgang heeft plaatsgevonden, ziet het hof geen aanleiding de huidige omgangsregeling in te perken. Het hof zal daarom bepalen dat de moeder één keer in de veeret tien dagen onder begeleiding omgang heeft met de kinderen


Ga terug