Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

William Schrikker neemt perspectiefbesluit (niet terug naar huis), rechter gaat er niet in mee

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het verzoek

De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen met een jaar. Tevens is verzocht de machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen bij een accommodatie jeugdhulpaanbieder, te verlengen met een jaar.

De GI heeft het verzoek als volgt toegelicht. De moeder is in april 2021 gestart met behandeling van haar trauma’s en persoonlijke problematiek. Ook is zij toegelaten tot de schuldsaneringsregeling van de WSNP en zijn er sinds juni 2021 geen overlastmeldingen meer geweest, wat voorwaarden waren om haar woning te behouden. De moeder heeft dagbesteding, geeft aan geen drugs meer te gebruiken en is het afgelopen jaar in contact geweest met de gezinsmanager. Ondanks deze positieve stappen is de problematiek van de moeder echter te fors, complex en chronisch om [minderjarige] langdurig een voorspelbare en veilige opvoedomgeving te bieden. Op 17 november 2021 zijn [minderjarige] en zijn ouders geïnformeerd dat het opvoedperspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt en dat niet langer toegewerkt zal worden naar thuisplaatsing. [minderjarige] laat bij [accommodatie jeugdhulpaanbieder] een stijgende lijn zien in zijn ontwikkeling. Hij is zelfstandiger geworden, heeft meer zelfvertrouwen en durft meer voor zichzelf op te komen. Wel is er een vermoeden ontstaan dat hij kampt met een informatieverwerkingsstoornis. Sinds april 2021 gaat [minderjarige] om het weekend een nacht bij zijn moeder logeren. Zijn vader is dan ook altijd aanwezig. Hoewel het SIG heeft geconcludeerd dat hier geen zorgen over zijn, zijn er wel zorgen over het verdere contact tussen [minderjarige] en zijn moeder. Hun band is dermate sterk dat dit aan de ontwikkeling van [minderjarige] in de weg staat. Zij bellen elkaar dagelijks, soms meer dan tien keer per dag. Ook zijn er zorgen ontstaan over het gedrag van [minderjarige] . In augustus 2021 heeft [minderjarige] een suïcidepoging ondernomen, omdat hij heimwee had en zijn ouders miste. Op 28 september 2021 is [minderjarige] om diezelfde reden weggelopen van de groep, waarbij hij heeft aangegeven dood te willen. Door de praktijkondersteuner van de huisarts werd geen aanleiding gezien direct actie te ondernemen, mits het telefonische contact tussen [minderjarige] en zijn moeder ingeperkt zou worden. Zij bellen nu maximaal drie keer per dag. [minderjarige] staat voorts op de wachtlijst bij Accare voor een diagnostisch onderzoek en eventuele behandeling. De komende periode zal gewerkt worden aan het stabiliseren van de bezoekmomenten van [minderjarige] bij zijn ouders, het veilig houden van het (bel)contact en het monitoren van de positieve groei van de moeder. Samen met de ouders zal onderzocht worden welke rol zij kunnen gaan spelen in het leven van [minderjarige] op de lange termijn en of een uitbreiding van de omgang mogelijk is. Ook zal bekeken worden of kan worden afgeschaald naar het vrijwillige kader, waarbij [accommodatie jeugdhulpaanbieder] de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] blijft dragen. Indien dat niet mogelijk blijkt, zal een verzoek tot onderzoek naar een gezagsbeëindigende maatregel worden ingediend bij de Raad voor de Kinderbescherming.

De GI heeft hier ter zitting aan toegevoegd dat het de bedoeling is om de bezoeken van [minderjarige] aan zijn ouders in de weekenden en vakanties uit te breiden, waarbij [minderjarige] daarnaast in de dagelijkse zorg de stabiliteit en mogelijkheden van [accommodatie jeugdhulpaanbieder] heeft. De bezoeken aan de moeder gaan goed en [minderjarige] is in de kerstvakantie buiten de GI om negen dagen bij de moeder geweest. Ook dat is goed verlopen. Er zijn echter zorgen of de moeder over de opvoedvaardigheden beschikt om [minderjarige] op de langere termijn te bieden wat hij nodig heeft. De suïcidepoging en het wegloopincident vonden, anders dan de advocaat van de moeder stelt, plaats voordat het perspectief van [minderjarige] besproken is.

Desgevraagd heeft de GI aangegeven dat de huidige thuissituatie van de moeder niet onderzocht is. De zorg bestaat uit de problematiek van de moeder die langdurig en fors was. Er is lange tijd weinig stabiliteit geweest, waarbij de problemen van de moeder op de voorgrond stonden. Daar komt bij dat [minderjarige] zelf een beperking heeft, wat onderzocht moet worden. De vraag is of de situatie van de moeder stabiel genoeg is. Nieuw onderzoek naar de thuissituatie van de moeder zal zinvol zijn, maar het is niet de bedoeling dat [minderjarige] na thuisplaatsing en onderzoek opnieuw uit huis geplaatst moet worden. Dat zal schadelijk zijn voor hem. Bekeken zal moeten worden hoe dat onderzoek verricht kan worden zonder dat [minderjarige] van plek moet wisselen. De GI heeft desgevraagd nog aangegeven dat het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] bij Accare vanaf iedere verblijfsplaats zou kunnen. Vanuit de hulpverlening komen er voorts geen signalen dat de moeder drugs zou gebruiken. Vanuit de GI is geen contact geweest met de behandelaar van de moeder.


Maar:

Uit de stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de moeder de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt op de gebieden die voor instabiliteit en onveiligheid van de thuissituatie van [minderjarige] zorgden. Zo is de moeder toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, heeft zij haar huurwoning behouden en heeft zij een EMDR-behandeling succesvol afgerond. Daarnaast accepteert zij de hulpverlening van SIG, die wekelijks bij haar thuis komt. Gezien wordt ook dat de omgangsweekenden bij moeder goed verlopen en ook de kerstvakantie, waarin [minderjarige] negen dagen thuis is geweest, verliep goed. Daar komt bij dat de band tussen de moeder en [minderjarige] erg hecht is en dat [minderjarige] herhaaldelijk weggelopen is van [accommodatie jeugdhulpaanbieder] .

Gelet op het verleden is er een risico op terugval van de moeder in haar problematiek en dus ook een risico dat [minderjarige] weer uit huisgeplaatst moet worden. Alles afwegend vindt de kinderrechter – anders dan de Raad en de GI- dat dit risico met het toezicht, de hulp en de begeleiding van [minderjarige] en de moeder in de thuissituatie, beheersbaar is. Een uithuisplaatsing is daarom voor het doel van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk.

Gelet op het voorgaande is op dit moment niet voldaan aan de vereisten voor een uithuisplaatsing, zoals genoemd in artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek. De kinderrechter zal het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing dan ook afwijzen. De kinderrechter gaat er vanuit dat de moeder in het belang van [minderjarige] met de GI blijft samenwerken, ook als het gaat om het diagnostisch onderzoek van [minderjarige] en dat zij de opvoedondersteuning thuis aanvaardt.

Tot slot geeft de kinderrechter de GI in overweging om alsnog onderzoek te doen naar de thuissituatie van moeder en als de uitkomst daarvan daartoe aanleiding geeft, het perspectiefbesluit te heroverwegen.


Ga terug