Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

William Schrikker in de bocht (30-09)

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

In deze zaak speelt dat de minderjarige langer dan twee jaar onder toezicht is gesteld met een uithuisplaatsing. Op grond van art. 1:265j, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna “BW”) moet de GI het verzoek tot verlenging vergezeld laten gaan met een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna "de Raad") met betrekking tot de verlenging van beide maatregelen.

Dat advies strekt ertoe te borgen dat de maatregelen niet onnodig worden verlengd en om tijdig te kunnen beoordelen of in aanmerking genomen het tijdsverloop, nog wel de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefent binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW in staat zijn te dragen. Het bestaan van die gerechtvaardigde verwachting is op grond van art. 1:255 lid 1 onder b BW vereist voor de (verlenging van) de ondertoezichtstelling. Als de combinatie van beide maatregelen twee jaar of langer heeft geduurd, kan immers in twijfel worden getrokken of de ondertoezichtstelling (nog) wel een passende maatregel is (zie in gelijke zin MvT, Kamerstukken II 2008/09, 32015, p 33 e.v.).

De GI heeft verzuimd haar verzoek tot verlenging van beide maatregelen vergezeld te laten gaan met vorenbedoeld advies van de Raad.

Gelet op het zwaarwegende belang bij het advies van de Raad en in aanmerking genomen dat het verzoek naar de tekst van de wet vergezeld moet gaan van dat advies, kan aan het verzuim van de GI alleen maar het rechtsgevolg worden verbonden dat de GI in haar verlengingsverzoek niet kan worden ontvangen.

De kinderrechter constateert dat de huidige maatregelen eindigen op 15 november 2021. De kinderrechter gaat ervan uit dat het verzuim tijdig wordt hersteld met een nieuw verzoek dat wel beantwoordt aan de wettelijke eisen. Hij gaat bovendien ervan uit dat de Raad bereid kan worden gevonden alsnog zijn advies uit te brengen, óók wanneer blijkt dat de GI ook heeft verzuimd om binnen de daarvoor aan haar in artikel 1:265j BW gegeven termijn van twee maanden voor het verstrijken van de ondertoezichtstelling de Raad mededeling te doen van haar voornemen om het verlengingsverzoek te doen.


Ga terug