Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Weinig contact omdat kind uit huis geplaatst zal blijven? Eerst onderzoek, en al was dat zo ....

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Op voormeld hoger beroep heeft dit hof bij beschikking van 2 oktober 2014 weliswaar de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, maar daarbij aangetekend dat er van de stichting meer mag worden verwacht in het onderzoek naar de vraag of er mogelijkheden zijn om [minderjarige] in de toekomst weer bij de moeder te laten wonen. Het hof heeft er daarbij op gewezen dat in het verslag van een psychologisch onderzoek van MEE (datum onderzoek 16 juli 2013) niet wordt uitgesloten dat de moeder in de toekomst wel in staat zou kunnen zijn om voor [minderjarige] te zorgen. In de onderhavige procedure is voorts gebleken dat er momenteel via het NIFP in het kader van een ontheffingsprocedure een psychologisch onderzoek wordt verricht naar de vraag of de moeder, zo nodig met ondersteuning, in staat is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden. Tegen deze achtergrond is het hof van oordeel dat de beperking van de bezoekregeling zoals die bij de bestreden aanwijzing is bepaald te ingrijpend is en niet noodzakelijk in het belang van [minderjarige]. Dit klemt temeer nu ter zitting is gebleken dat de moeder haar leven inmiddels redelijk op orde heeft. Zij doet haar best om te integreren in de Nederlandse samenleving en om Nederlands te leren. De moeder heeft een netwerk opgebouwd waaraan zij steun heeft. Tevens heeft zij een cursus positief opvoeden met succes afgesloten. Ook de financiƫle situatie van de moeder en haar huisvesting zijn op orde.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de stichting in redelijkheid niet tot het geven van de bestreden schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen. Dit leidt tot de conclusie dat de bestreden aanwijzing vervallen dient te worden verklaard.

3.13.4.

Met betrekking tot de door de moeder in hoger beroep verzochte contactregeling overweegt het hof als volgt. Het hof is van oordeel, dat ook indien uit het psychologisch onderzoek zou blijken dat het perspectief van [minderjarige] niet bij de moeder ligt, het, mede gelet op zijn leeftijd en zijn ontwikkelingsfase, in zijn belang is dat hij een goede band met de moeder opbouwt. Niet valt in te zien dat het strijdig zou zijn met het belang van [minderjarige] dat hij eenmaal in de twee weken gedurende anderhalf uur contact met de moeder heeft. Naar het oordeel van het hof vormt ook de hechting van [minderjarige] in het pleeggezin geen beletsel voor een contactregeling met een zodanige frequentie. Het hof wijst er voorts op dat de pleegmoeder ter zitting heeft verklaard geen moeite te hebben met een dergelijke contactregeling. Het hof zal dan ook een dienovereenkomstige contactregeling, als hierna nader bepaald, vaststellen. Een uitbreiding tot een contactregeling van eenmaal per week gedurende een dagdeel, zoals de moeder in hoger beroep heeft verzocht, acht het hof prematuur en vooralsnog niet in het belang van [minderjarige], zolang de moeder niet heeft aangetoond de contactregeling met [minderjarige] stipt te kunnen nakomen.


Ga terug