Verzoek aan mevrouw Kroes de monopoliepositie van de bureaus jeugdzorg te bezien

Aan de Europees Commissaris voor Concurrentie,
mevrouw drs N. Kroes

Haarlem, 18 september 2007

Zeer geachte Mevrouw,

Het succes in uw strijd tegen de monopoliepositie van Microsoft geeft stichting Kinderen-Ouders-Grootouders de moed om u te vragen een eind te maken aan de wettelijke monopoliepositie van de Bureaus jeugdzorg in Nederland.

Ik citeer uit het proefschrift uit november 2006 van M.F.M. van den Berg, ‘Ingang om de hoek, de Wet op de jeugdzorg vanuit het perspectief van de (potentiële) cliënt belicht’.
(ISBN 10: 90-5850-215-5 cursivering e.d. van mij).

“Het Bjz dient eenzelfde functie als de huisarts binnen de gezondheidszorg te vervullen. Het verschil tussen het Bjz en de huisarts is echter dat men wel van huisarts kan wisselen, maar niet van Bjz. Een potentiële cliënt dient namelijk aan te kloppen bij het Bjz dat werkzaam is in de provincie waar de jongere duurzaam verblijft. Deze gebondenheid aan een bepaald Bureau geeft slechts de keuze uit één aanbieder. (pag. 86)

“De monopoliepositie van Bjz heeft voor- en nadelen voor de cliënt. Als voordelen kunnen onder meer worden genoemd, dat de continuïteit van de dienst verzekerd is en er sprake is van specialisme binnen één Bureau. … Op de korte termijn kan het gevaar dreigen dat het aanbod van goederen en diensten onvoldoende is afgestemd op de wensen van de consument …  naar alternatieven gaan zoeken, zoals de auto. In de jeugdzorg bestaat een dergelijk alternatief echter niet. Er bestaat bijvoorbeeld geen particulier Bureau jeugdzorg. … Als nadelen van de monopoliepositie op de lange termijn kunnen worden genoemd: weinig impulsen tot innovatie, tot kwaliteitsverbetering, tot het in huis halen en/of het bijhouden van expertise en tot de verbetering van de doelmatigheid. Hierdoor kan er minder vooruitgang zijn dan gewenst is. Daarnaast speelt ook op lange termijn het gevaar van achteruitgang doordat men minder efficiënt werkt. Deze nadelen spelen ook in de jeugdzorg een grote rol. Doordat het Bureau jeugdzorg namelijk geen concurrentie kent van andere aanbieders, bestaat het reële gevaar dat men te weinig vooruitgang kent. (pag. 87)

De bovenstaande voordelen en nadelen van een monopolie betreffende de organisatie van het Bjz hebben hun weerslag op de cliënt. Er zijn echter ook nog andere nadelen voor de cliënt te benoemen. Zo bestaat onder meer het gevaar, dat een potentiële cliënt geheel van jeugdzorg wordt uitgesloten indien het betreffende Bureau jeugdzorg van mening is dat de situatie niet ernstig genoeg is. De vraag die hierbij speelt is wat men kan beginnen als men bij Bjz geen voet aan de grond krijgt? …
Er is in de wet geen hardheidsclausule opgenomen, waardoor een cliënt in dat geval met goede reden over de provinciegrenzen heen kan stappen. Verder bestaat er ook geen mogelijkheid tot een second opinion. (pag. 88)

Het is mijns inziens wenselijk om het gevaar van de huidige monopoliepositie van Bjz te ondervangen. Hiervoor bestaan meerdere mogelijke oplossingen. In het onderstaande zullen twee uiteenlopende oplossingen worden uitgewerkt.
Allereerst kan gedacht worden aan het inbrengen van concurrentie in de markt. Bijvoorbeeld door naast het Bjz ook een beperkt aantal andere instellingen de bevoegdheid tot indicering te geven. Dit kan door aanwijzing, maar ook door de invoering van een soortgelijke procedure als bij aanbesteding van een bouwwerk. Bij deze gereguleerde concurrentie dingen verschillende jeugdzorginstellingen steeds na een x aantal jaar om de indiceringsbevoegdheid. … Naast de inbreng van meer concurrentie kan gedacht worden aan de invoering van de mogelijkheid van second opinion zoals reeds sinds jaar en dag in de gezondheidszorg aan de orde is. Door de invoering van deze mogelijkheid kunnen potentiële cliënten hun hulpvraag ook aan een ander Bureau jeugdzorg voorleggen. (pag. 89)

In een samenleving waarin vrij verkeer van personen over de landsgrenzen niet meer weg te denken is, is het mijns inziens vreemd dat wij in Nederland zoveel waarde hechten aan onze provinciegrenzen.” (pag. 90)

Duidelijker dan mevrouw Van den Berg het zegt, kunnen wij het niet. Het is niet te verwachten dat bij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg de monopoliepositie van de bureaus jeugdzorg een rol zal spelen.

Wij verzoeken u te bezien of u de Nederlandse wetgever wilt verplichten om een eind te maken aan de monopoliepositie van de bureaus jeugdzorg.

Met gevoelens van hoogachting,
(Drs T.P. Barendse-Cornelissen, secretaris)

In kopie aan de Minister van Jeugd en Gezin, Mr A. Rouvoet