Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Verheldering schriftelijke aanwijzing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Bij de uitvoering van zijn taak kan de jeugdzorgwerker schriftelijke aanwijzingen geven betreffende de verzorging en opvoeding van een minderjarige. Schriftelijke aanwijzingen hebben een dwingend karakter. De desbetreffende ouder(s) en de minderjarige dient/en deze op te volgen. Op het niet nakomen ervan zijn sancties gesteld. Wanneer de ouder(s ) (en de minderjarige) niet instemt/men met dan wel niet of onvoldoende medewerking verlenen aan hetgeen door de jeugdzorgwerker noodzakelijk wordt geacht dan kan de jeugdzorgwerker deze in een schriftelijke aanwijzing opdragen mee te werken. De aanwijzingen kunnen zich niet richten tot de niet met gezag belaste ouder.

Van belang is dat de aanwijzing:

- het doel van de ondertoezichtstelling dient;

- direct de opvoeding en verzorging van de minderjarige treft;

- niet in strijd is met het recht;

- slechts een opdracht betreft tot het doen of juist nalaten.

De kinderrechter stelt vast dat de Bepaling jeugdhulp van 4 augustus 2020, waartegen het verzoek van de moeder zich richt, niet als een schriftelijke aanwijzing kan worden aangemerkt. De Bepaling jeugdhulp is, zoals de GI hierin ook stelt, gebaseerd op artikel 3.5 Jeugdwet. Ingevolge het eerste lid van dat artikel bepaalt de GI enkel welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel. Het betreft een stuk dat moet worden ingediend om de aangewezen jeugdhulp te kunnen financieren, hetgeen een voorwaarde is om de jeugdhulp te kunnen inzetten. Het is slechts een bepaling. Het heeft, anders dan bij een schriftelijke aanwijzing, geen dwingend karakter. Het bevat geen verplichting tot opvolging ervan, noch worden er sancties gesteld. Evenmin betreft de Bepaling jeugdhulp een opdracht tot het doen of nalaten.

Het standpunt van de moeder dat zij in de motivering van de Bepaling jeugdhulp leest of ervaart dat de contacten tussen de moeder en [minderjarige] worden beperkt, kan de kinderrechter niet volgen. Deze motivering is slechts een verklaring waarom het inzetten van de aan te wijzen hulpverlening noodzakelijk is. Het bevat geen besluit dat ziet op enig rechtsgevolg. Dit is ter zitting ook door de GI bevestigd door te stellen dat juist niet gekozen is voor het geven van een schriftelijke aanwijzing. De GI ziet met het inzetten van de aangewezen hulpverlening zelfs een weg om te komen tot een mogelijke uitbreiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] . Dit staat haaks op de opvatting van de moeder.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat het besluit van de GI van

4 augustus 2020 enkel kan worden opgevat als een Bepaling jeugdhulp op grond van artikel 3.5 Jeugdwet en dat hiertegen, nu er sprake is van maatregelen in een gedwongen kader, geen bezwaar of beroep mogelijk is.

Dit brengt mee dat, nu het besluit van 4 augustus 2020 niet als een schriftelijke aanwijzing wordt gezien, de kinderrechter niet toekomt aan de beoordeling van het resterende verzoek. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen.

De kinderrechter wenst nog uitdrukkelijk op te merken dat het belang van [minderjarige] meebrengt dat de moeder in gesprek blijft met de GI over de mogelijkheden om de contacten tussen de moeder en [minderjarige] op enig moment uit te breiden. De kinderrechter heeft ter zitting begrepen dat er binnen de voor [minderjarige] in te zetten hulpverlening, zoals die in de Bepaling jeugdhulp is opgenomen, aandacht kan zijn voor de wensen van [minderjarige] ten aanzien van het contact met de moeder. Ook heeft de kinderrechter begrepen dat de GI bereid is tot gesprekken met de moeder over de mogelijkheden van uitbreiding van de contacten. Daartoe heeft de GI gesteld dat het door de moeder voortzetten van haar huidige positieve ontwikkelingen binnen het ouder-kind traject zeker zal bijdragen tot het creƫren van ruimte om mogelijk tot een uitbreiding van de contacten tussen de moeder en [minderjarige] te komen. De kinderrechter acht het in het belang van de moeder en van [minderjarige] dat de moeder zich kan focussen op een mogelijke uitbreiding van de contacten en dat zij niet vasthoudt aan de gedachte dat de contacten worden beperkt.


Ga terug