Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Uithuisplaatsing en overplaatsing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat de kinderrechter op 23 maart 2018 een machtiging uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg heeft verleend, welke machtiging nog voortduurt tot 15 november 2018. [minderjarige] verblijft sinds 26 maart 2018 bij de pleegmoeder. Nu de GI voornemens is [minderjarige] over te plaatsen naar een ander pleeggezin, heeft de GI uit een arrest van het Gerechtshof (naar de rechtbank begrijpt uit het arrest ECLI:NL:GHARL:2018:2120) afgeleid dat voor deze overplaatsing een nieuw verzoek tot machtiging uithuisplaatsing is vereist.

De kinderrechter acht de indiening van het huidige verzoek een zorgvuldige handelswijze van de GI, maar naar het oordeel van de kinderrechter vereist het systeem van de wet geen nieuwe machtiging tot uithuisplaatsing in deze situatie. Het is namelijk in beginsel niet de kinderrechter die bepaalt in welk pleeggezin een kind verblijft. Voornoemd arrest ziet op een geheel andere situatie dan de situatie die in de zaak die nu voorligt. In de zaak waar het Gerechtshof zich over heeft gebogen was de minderjarige aanvankelijk vrijwillig geplaatst bij de grootouders. Deze plaatsing werd omgezet in een plaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. De minderjarige was geworteld in het gezin van de grootouders en de motivering van de beschikking zag uitdrukkelijk op de plaatsing bij hen. De minderjarige werd tijdens deze machtiging overgeplaatst naar een neutraal pleeggezin.

Volgens het Gerechtshof was een dergelijke overplaatsing in die situatie, ondanks het feit dat in het dictum vermeld stond dat machtiging werd verleend voor uithuisplaatsing in een voorziening pleegzorg, niet mogelijk.

In de huidige situatie is sprake van een pleeggezin waar [minderjarige] op het moment van de zitting van 23 maart 2018 nog niet woonde en welk pleeggezin nog niet volledig gescreend was.

In een dergelijke situatie staat het de GI vrij om een minderjarige te verplaatsen naar een ander pleeggezin, als dat in het belang van die minderjarige is. Echter, elke overplaatsing van een minderjarige zorgt voor onrust. De kinderrechter gaat er daarom nadrukkelijk vanuit dat een overplaatsing zorgvuldig wordt overwogen en zeer zorgvuldig plaatsvindt en dat het belang van [minderjarige]...


Ga terug