Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

UHP niet verlengd

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het standpunt van de moeder

De moeder is het eens met de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar verzet zich tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Er is sprake van een positieve ontwikkeling. Een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing zal demotiverend werken voor [naam kind] . De moeder ziet wel het belang van voldoende begeleiding voor zichzelf en [naam kind] . [naam kind] is verdienstelijk in de muziek en brengt een aantal uren per dag door in de muziekstudio. Hij komt gemaakte afspraken na.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [naam kind] nog onveranderd in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [naam kind] is gediagnosticeerd met PTSS en ADHD. [naam kind] heeft lange tijd op een open groep bij Stichting Jeugdformaat verbleven en liet daar zorgelijk gedrag zien. [naam kind] en de moeder zijn in juli 2020 gestart met een MST-traject. Om deze therapie intensief in te kunnen zetten is [naam kind] vier weken na de start van het traject thuisgeplaatst bij de moeder. De moeder en [naam kind] zijn gemotiveerd om het MST-traject positief af te ronden. De dagbesteding van [naam kind] bestaat uit het maken van muziek, maar het is gezien zijn leeftijd noodzakelijk dat hij onderwijs gaat volgen. De inzet van een jeugdbeschermer is noodzakelijk om de resultaten van het MST-traject te monitoren, dagbesteding voor [naam kind] te regelen en zicht te houden op de ontwikkeling van [naam kind] .

Uit het voorgaande volgt dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [naam kind] verlengen voor de duur van een jaar.

Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [naam kind] niet noodzakelijk is in het belang van de verzorging en de opvoeding, zoals genoemd in artikel 1:265c, tweede lid, BW. [naam kind] woont sinds twee maanden weer bij de moeder en laat een prille positieve ontwikkeling zien. De kinderrechter is met de moeder en haar advocaat van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing demotiverend kan werken voor [naam kind] . Het is belangrijk dat de betrokkenen vertrouwen in [naam kind] krijgen. De kinderrechter zal daarom het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing afwijzen. Indien [naam kind] zich niet houdt aan de afspraken, dan wel terugvalt in oud gedrag, heeft de GI de mogelijkheid om met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing aan de kinderrechter te verzoeken.


Ga terug