Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Beoordeling

De rechtbank is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de e-mail van 11 februari 2021 aangemerkt moet worden als een schriftelijke aanwijzing als bedoeld in artikel 1:265f van het Burgerlijk Wetboek (BW). De e-mail betreft een schriftelijk bericht dat afkomstig is van een bestuursorgaan (de gecertificeerde instelling). De e-mail van de gecertificeerde instelling is op een rechtsgevolg gericht en behelst een dwingende opdracht (dan wel mededeling) aan de ouders. Bij dit e-mailbericht heeft de gecertificeerde instelling immers aan de ouders opgelegd wanneer en hoe de omgangsmomenten tussen [minderjarige] en respectievelijk de vader en de moeder zullen plaatsvinden.

Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of de schriftelijke aanwijzing voldoet aan de voorwaarden (van totstandkoming) die daaraan worden gesteld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet is voldaan aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu de schriftelijke aanwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen. Aan de vader is geen vooraankondiging gedaan van de voorgenomen omgangsregeling tussen de ouders en [minderjarige] . Hij heeft hierdoor zijn zienswijze over de frequentie en duur van de omgang niet naar voren kunnen brengen. Het Whatsapp-bericht dat door de jeugdbeschermer op 8 februari 2021 aan de vader is verzonden, is onvoldoende om als vooraankondiging te kunnen gelden. Daarnaast ontbreekt in de schriftelijke aanwijzing een deugdelijke motivering. De motivering van een schriftelijke aanwijzing moet deugdelijk en kenbaar zijn en moet de wettelijke en feitelijke grondslag vermelden, zo volgt uit artikel 3:46 Awb. De e-mail van 11 februari 2021 bevat echter in het geheel geen onderbouwing en voldoet dan ook niet aan de eisen die wet hieraan stelt. Eerst ter zitting heeft de gecertificeerde instelling gemotiveerd uiteengezet dat de frequentie en duur van de omgang is vastgesteld om [minderjarige] en de vader aan elkaar te laten wennen en dat – mede gelet op het goede verloop van de eerste twee bezoeken – de intentie bestaat om de omgang op korte termijn uit te breiden. De rechtbank acht deze wenperiode - waarna op rustige wijze opbouw van de omgang zal plaatsvinden - in het belang van [minderjarige] , mede gelet op haar jonge leeftijd en het positieve verloop van de eerste contacten met de vader.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de schriftelijke aanwijzing van 11 februari 2021 vervallen verklaren nu deze onzorgvuldig tot stand is gekomen. Het ligt op de weg van de gecertificeerde instelling om (indien nodig) opnieuw een schriftelijke aanwijzing te geven over de omgang, waarbij de beginselen van behoorlijk bestuur in acht worden genomen en ook de opbouw van de omgang nader wordt uitgewerkt.


Ga terug