Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Schriftelijke aanwijzing vervallen verklaard

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Uit de stukken en hetgeen ter zitting van het hof is besproken, is het volgende gebleken. De GI heeft het, nadat zij in juni 2020 heeft bepaald dat het woonperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder zal zijn, in het belang van [de minderjarige] geacht om in de vorm van een schriftelijke aanwijzing, zoals hiervoor in 3.8 nader omschreven, te bepalen dat de moeder gedurende twee uur per maand in [J] begeleide omgang zal hebben met [de minderjarige] . De GI heeft ter zitting verklaard dat die omgang het best is om het huidige hechtingsproces in het gezinshuis van [de minderjarige] te stimuleren en om [de minderjarige] zoveel mogelijk structuur en duidelijkheid te bieden. Ook heeft de GI verklaard dat [de minderjarige] voorafgaand en na het omgangsmoment onrustig is, dat de moeder tijdens de omgang niet altijd goed kan aansluiten bij [de minderjarige] , maar dat wel duidelijk is dat er veel liefde is tussen de moeder en [de minderjarige] .

5.6

Het hof oordeelt als volgt. Uit het voorgaande blijkt dat de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] op liefdevolle wijze verloopt, maar dat [de minderjarige] rond de omgangsmomenten onrust ervaart. Het hof volgt de GI niet in haar stelling dat de omgangsmomenten met het oog op het hechtingsproces van, en de duidelijkheid voor, [de minderjarige] beperkt moeten blijven in frequentie en duur. Het is niet ongewoon dat kinderen rond omgangsmomenten onrust ervaren, zowel in een situatie waarin zij van de ene naar de andere ouder gaan als – zoals hier het geval is – in een situatie waarin zij vanuit een gezinshuis omgang met een ouder hebben. Het hof acht het niet aannemelijk dat de beperking van de omgang op de wijze zoals hier het geval is, die onrust bij [de minderjarige] zal wegnemen. Het hof verwacht dat een uitbreiding van de omgang tussen de moeder en [de minderjarige] juist kan bijdragen aan de rust en duidelijkheid bij beiden en dat daardoor die omgang een beter verloop kan hebben. Het hof begrijpt uit de stellingen van de moeder dat de beperkte omgangsregeling van slechts twee uur per maand en de daardoor beperkte gelegenheid voor haar om [de minderjarige] haar liefde te tonen, veel druk op de moeder leggen. Dat die druk de moeder onrust geeft, en dat die onrust, zoals de moeder stelt, door [de minderjarige] zal worden gevoeld, acht het hof aannemelijk. Het hof verwacht dat bij een uitbreiding van de omgang zowel de moeder als [de minderjarige] meer rust zullen ervaren als gevolg waarvan de omgang voor hen beiden prettiger zal verlopen. Het hof acht een uitbreiding van de omgang bij de moeder thuis, gelet op de door de GI beschreven kwetsbaarheid van [de minderjarige] , niet in het belang van [de minderjarige] . Het hof ziet wel aanleiding om de omgangsregeling uit te breiden, in die zin dat de moeder en [de minderjarige] te [J] (en zolang de GI dat noodzakelijk acht: begeleid) omgang met elkaar hebben gedurende vier uur op woensdagmiddag van 13.30 uur tot 17.30 uur. Het hof zal bepalen dat die omgang met ingang van 1 april 2021 eenmaal per maand en met ingang van 1 juli 2021 eenmaal per veertien dagen zal plaatsvinden.

Het hof verwacht van de moeder dat zij, om zoveel mogelijk de onrust bij [de minderjarige] weg te nemen, zich stipt houdt aan de afspraken, dat zij [de minderjarige] niet belast met haar wens van thuisplaatsing en dat zij [de minderjarige] emotionele toestemming geeft om te wonen in het huidige gezinshuis. Het hof gaat er aan de andere kant van uit dat de GI – conform haar toezegging tijdens de zitting – deze omgang op een voor [de minderjarige] en de moeder plezierige wijze mogelijk maakt, waarbij het voor [de minderjarige] heel duidelijk moet zijn dat zij in het gezinshuis woont maar ook dat de moeder haar moeder is en dat altijd zal blijven. Het hof verwacht van het gezinshuis dat die de (verruimde) omgang tussen [de minderjarige] en haar moeder ondersteunt.

6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland,

locatie Utrecht, van 21 september 2020 en opnieuw beschikkende:

verklaart de schriftelijke aanwijzing van de GI van 16 juli 2020 met ingang van heden vervallen;

bepaalt dat de moeder en [de minderjarige] te [J] – en zolang de GI dit noodzakelijk acht: begeleid – omgang met elkaar hebben gedurende vier uur op woensdagmiddag van 13.30 uur tot 17.30 uur en wel:

-met ingang van 1 april 2021 eenmaal per maand en

-met ingang van 1 juli 2021 eenmaal per veertien dagen;


Ga terug