Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Rechter ziet geen reden uithuisplaatsing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het standpunt van de belanghebbenden

Namens de moeder heeft haar advocaat ter zitting aangevoerd dat er geen gronden zijn voor een machtiging uithuisplaatsing. Ter onderbouwing hiervan is het volgende naar voren gebracht.

In de afgelopen periode heeft de vader hard aan zichzelf gewerkt en is de situatie thuis veranderd. Er zijn geen ruzies meer. De ouders en [voornaam minderjarige] leven als een gezin. De ouders werken, [voornaam minderjarige] volgt online schoollessen en heeft omgang met vriendinnetjes. De vader werkt mee aan urinecontroles om aan te tonen dat hij geen alcohol meer gebruikt. Bestreden wordt dat de ouders niet aan de ondertoezichtstelling meewerken. Dit is overigens ook geen grond voor een machtiging uithuisplaatsing. Bovendien is het de vraag waar [voornaam minderjarige] geplaatst zou moeten worden. De moeder heeft telkens aangegeven dat de jeugdbeschermer welkom is thuis en dat zij [voornaam minderjarige] op haar kamer mag spreken. De moeder heeft er wel moeite mee dat de jeugdbeschermer met [voornaam minderjarige] alleen op pad wil gaan naar buiten om haar te spreken. Dit wordt echter als een weigering gezien.

Namens de vader heeft zijn advocaat ter zitting eveneens aangegeven dat er geen gronden zijn voor een machtiging uithuisplaatsing. Ter onderbouwing hiervan is het volgende naar voren gebracht.

Indien het al juist zou zijn dat de ouders niet aan de ondertoezichtstelling meewerken, is dat nog geen grond om een kind uit huis te plaatsen. Op veel punten is de inhoud van de briefrapportage van de GI niet juist. Zo kan niet van de gemiddelde ouder worden verwacht om een veiligheidsplan op te stellen. Daar is juist de hulp van de jeugdbescherming bij nodig. Daar komt bij dat de jeugdbescherming uiteindelijk met de ouders een veiligheidsplan heeft opgesteld. Ook de vader staat open voor huisbezoeken van de jeugdbeschermer en voor een persoonlijk gesprek met [voornaam minderjarige] . De vader doet trouw wekelijks bij de huisarts een urinecontrole. De moeder heeft instemmend geknikt op het moment dat de vader ter zitting heeft verklaard dat hij geen druppel alcohol meer drinkt. Bovendien is het contact met [voornaam minderjarige] positief. Of er hulpverlening nodig is, is echter een andere vraag.

Desgevraagd heeft de moeder ter zitting het volgende toegelicht.

Vanwege het alcoholgebruik van de vader zijn er problemen geweest. Nu gaat het goed thuis. Er zijn geen ruzies meer en de vader gebruikt geen alcohol meer. Na de laatste zitting heeft de jeugdbeschermer slechts één keer contact met de ouders opgenomen. De moeder kan vanwege haar werk niet op alle tijdstippen aan huisbezoeken meewerken. De jeugdbeschermer is welkom als de moeder na haar werk om 16:00 uur thuis is. Het is van belang om van tevoren afspraken te maken. Ook heeft de moeder de jeugdbeschermer laten weten dat [voornaam minderjarige] persoonlijk gesproken kan worden thuis of op het kantoor van de GI. Ook het wijkteam is welkom.

Desgevraagd heeft de vader ter zitting het volgende toegelicht.

Het is niet juist dat de jeugdbescherming geen contact met Antes heeft gehad. De vorige jeugdbeschermer [naam jeugdbeschermer] heeft immers zelf contact met Antes opgenomen. Tot december is de vader naar Antes gegaan. Antes heeft aangegeven dat hij geen behandeling nodig heeft. Antes heeft gezegd hierover een brief naar de huisarts te sturen. Antes is dat kennelijk niet nagekomen. Al een tijd drinkt de vader geen druppel alcohol meer. De vader heeft de huisarts en Antes toestemming gegeven om informatie te delen met de jeugdbescherming. De vader ontspant door hard te lopen.

De beoordeling

Op grond van artikel 1:265b lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kinderrechter indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid, de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.

Naar aanleiding van de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting overweegt de kinderrechter als volgt.

De jarenlange problemen in de gezinssituatie vanwege het drankgebruik van de vader en de conflicten tussen ouders, waarvan [voornaam minderjarige] getuige is geweest, zijn de aanleiding geweest voor het verzoek van de GI. Inmiddels lijkt er sprake te zijn van een prille positieve ontwikkeling. Ter zitting heeft de vader verklaard dat hij al een tijd geen alcohol meer drinkt en dat hij ontspanning zoekt door te sporten. De ter zitting namens de vader overgelegde uitslagen van urinecontroles kan de kinderrechter niet duiden nu er geen medische verklaring van de huisarts daaromtrent is bijgevoegd. De moeder heeft ter zitting bevestigd dat de vader geen alcohol meer gebruikt en de GI heeft dit niet weersproken.

Volgens de GI hebben de ouders zich in het kader van de ondertoezichtstelling onvoldoende meewerkend opgesteld om duidelijk te krijgen of [voornaam minderjarige] in een voldoende veilige opvoedomgeving opgroeit. De ouders lijken bereid te zijn om mee te werken aan huisbezoeken van de jeugdbeschermer en aan persoonlijke gesprekken tussen de jeugdbeschermer en [voornaam minderjarige] en om hulp van het wijkteam te accepteren, indien die hulp nodig wordt geacht. De vraag van de ouders om bij afspraken zo veel mogelijk rekening te houden met hun werktijden en met de schooltijden van [voornaam minderjarige] lijkt niet onredelijk.

Nu met name de zorgen over het alcoholgebruik van de vader ten grondslag liggen aan het verzoek tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] , had het na de vorige zitting ook op de weg van de GI gelegen om hierover objectieve informatie van behandelaars te krijgen. Niet weersproken is door de GI dat de vader toestemming voor het opvragen van informatie bij Antes en bij de huisarts heeft verleend.

Alles afwegende is de kinderrechter van oordeel dat gronden voor het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing ontbreken. Daarom zal het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] worden afgewezen. De kinderrechter tekent nog aan dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium is. Een uithuisplaatsing is pas aan de orde als andere middelen hebben gefaald. Daarvan is in deze situatie naar het oordeel van de kinderrechter geen sprake.

De kinderrechter wijst op het belang dat de GI en de ouders zich de komende periode inspannen om over en weer vertrouwen in elkaar te krijgen, opdat een positieve samenwerkingsrelatie zal ontstaan.

De beslissing

De kinderrechter:

wijst af het verzoek tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] .


Ga terug