Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Pleeggezin korter dan 1 jaar geen belanghebbende

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het oordeel van de rechtbank

 

4.1.

Onder belanghebbende wordt ingevolge artikel 798, eerste lid, Rv bij rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht, zijnde andere zaken dan scheidingszaken, verstaan: degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.

Degene die niet de ouder is en de minderjarige op wie de zaak betrekking heeft gedurende ten minste een jaar als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, wordt aangemerkt als belanghebbende.

 

4.2.

Ingevolge paragraaf 2.3 van het Procesreglement Civiel Jeugdrecht, voor zover hier van belang, gelden in zaken als de thans ter beoordeling voorliggende in elk geval als belanghebbende(n), "de perspectief biedende pleegouder of de pleegouder die de minderjarige een jaar of langer verzorgt en opvoedt."

 

4.3.

De rechtbank overweegt dat alleen al op grond van voornoemd criterium familie

[X]
niet als belanghebbende(n) in aanmerking komt, nu
[kind 1]
en
[kind 2]
pas vier maanden bij de familie
[X]
verblijven. Hoewel
[kind 1]
eerder gedurende twee jaar bij de familie
[X]
heeft gewoond, heeft zij van half augustus 2015 tot juli 2016 (bijna een jaar) weer bij haar familie op Aruba gewoond. Hoewel niet expliciet is vermeld dat de termijn "een jaar of langer" ziet op een aaneengesloten periode, is de rechtbank van oordeel dat dit, mede gelet ook op de duur van de onderbreking van bijna één jaar, impliciet besloten ligt in de tekst.

 

 

4.4.

De familie

[X]
heeft voorts een beroep gedaan op het door artikel 8 EVRM beschermde belang van het gezinsleven nu er sprake zou zijn van family life. Familie
[X]
voert aan dat zij de afgelopen jaren als "familie" betrokken zijn geweest bij
[kind 1]
en later ook bij
[kind 2]
, zij hebben meer dan een normale pleegouderband met de kinderen en kunnen hen daadwerkelijk perspectief bieden.

 

Het beroep van de familie

[X]
op artikel 8 EVRM zal worden gepasseerd. De rechtbank overweegt daartoe dat er geen sprake is van family life, ook niet als aanknoping wordt gezocht bij de jurisprudentie rond family life en pleeggezin.

 

Op grond van de stukken kan niet worden geconcludeerd dat de familie

[X]
is aan te merken als "perspectief biedende pleegouders". Familie
[X]
is een netwerkgezin, waar de kinderen door de moeder zijn ondergebracht, omdat de moeder haar verantwoordelijkheden als ouder niet aankon. Vervolgens is een (voorlopige) ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing uitgesproken. Bij beschikking van 27 juli 2016 heeft de kinderrechter een machtiging uithuisplaatsing verleend van
[kind 1]
in het netwerkgezin van mevrouw
[de pleegmoeder]
en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg dan wel accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en van
[kind 2]
in het netwerkgezin van mevrouw V.C
[X]
en aansluitend in een voorziening voor pleegzorg. Hieruit blijkt reeds dat familie
[X]
niet werd aangemerkt als een perspectief biedend pleeggezin door de Raad.

 

Dit maakt de positie van de familie

[X]
ook anders dan bij het verzoek wijziging van het verblijf van
[kind 1]
in het kader van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing (beschikking d.d. 5 augustus 2015), waar zij wel als belanghebbende werd aangemerkt door de rechtbank. Dit ziet echter op een andere procedure in een andere context.

 

 

Het niet zijn van belanghebbende heeft tot gevolg dat de familie

[X]
geen partij is in deze procedure en geen verweer/verzoekschrift kan indienen. De familie
[X]
kan louter als informant aangemerkt worden. Gelet op het door de moeder ingediende verzoek om de moeder buiten aanwezigheid van de familie
[X]
te horen, heeft de rechtbank de familie
[X]
en hun advocaat verzocht de zittingzaal te verlaten.

Ga terug