Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Ouders proberen van de William Schrikker Groep af te komen, maar hebben niet de goede weg gevolgd

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De wet voorziet niet in een grondslag voor een dergelijk verzoek aan de kinderrechter. Als gevolg van de huidige wetgeving omtrent de ondertoezichtstelling (Wet van 26 april 1995, Stb. 1995, 255) is de stichting als bedoeld in artikel 1 lid 1 van de Wet op de jeugdzorg (WJZ), hierna ook te noemen: het bureau jeugdzorg, verantwoordelijk voor de uitvoering van de ondertoezichtstelling. De kinderrechter is niet langer betrokken bij die uitvoering. Het bureau jeugdzorg kan de uitvoering opdragen aan een andere stichting, zoals in de onderhavige zaak ook is gebeurd. De wet voorziet niet in de bevoegdheid van de kinderrechter om een stichting aan wie door het bureau jeugdzorg de uitvoering van de ondertoezichtstelling is opgedragen, te vervangen. De bevoegdheid van de kinderrechter om de gezinsvoogd te vervangen, is bij de totstandkoming van de huidige wetgeving vervallen. Deze bevoegdheid was verbonden aan de taak van de kinderrechter om leiding te geven aan de gezinsvoogd. In de huidige wetgeving bepaalt het bureau jeugdzorg of een gezinsvoogd vervangen moet worden. 5.3 De wet voorziet wel in een aantal toetsingsmogelijkheden in het geval de verhoudingen tussen een gezinsvoogd en de betrokkenen tot een onwerkbare situatie leiden. Zo kan de gezaghebbende ouder op grond van artikel 1:254 lid 5 Burgerlijk Wetboek (BW) de kinderrechter verzoeken de stichting als bedoeld in artikel 1 lid 1 WJZ te vervangen door een zodanige stichting in een andere provincie. Het onderhavige verzoek van de ouders betreft echter niet een dergelijk verzoek. Overigens zijn beschikkingen op grond van artikel 1:254 lid 5 BW niet vatbaar voor hoger beroep, tenzij zich een van de gronden zou voordoen voor doorbreking van het rechtsmiddelenverbod, hetgeen in deze zaak echter niet het geval is. Op grond van artikel 68 WJZ bestaat voorts een onafhankelijke klachtencommissie. Wanneer klachten van de ouders over de gezinsvoogd door deze commissie gegrond worden verklaard, kan dat leiden tot vervanging van de gezinsvoogd. Daarnaast kan de gezaghebbende ouder aan BJZO als mandaatgever verzoeken het mandaat aan de stichting in te trekken. De ouders hebben echter niet gesteld dat een dergelijk verzoek is gedaan en dat is ook overigens niet gebleken. 5.4 De ouders hebben hun klachten over de (vorige) gezinsvoogd aldus kunnen voorleggen aan een rechter dan wel aan een andere onafhankelijke instantie. Het verzoek van de ouders aan de stichting om de gezinsvoogd te vervangen heeft bovendien, uiteindelijk, ook geleid tot vervanging van de gezinsvoogd. De stelling van de ouders dat er op grond van artikel 6 EVRM een mogelijkheid moet zijn om die klachten te laten toetsen, treft dan ook geen doel, omdat er voldoende toetsingsmogelijkheden zijn, dan wel omdat (ten aanzien van intrekking van het mandaat aan de stichting) deze toetsing, bij gebrek aan een verzoek daartoe aan BJZO, in dit stadium prematuur moet worden geacht.


Ga terug