Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Op 10 augustus 2016 heeft het Hof in Den Haag een uitspraak gedaan die u moet meenemen naar uw advocaat ter inspiratie!

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

10. Naar het oordeel van het hof had op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting door de rechtbank niet geconcludeerd mogen worden dat de gronden voor een uithuisplaatsing aanwezig zijn. Het hof overweegt daartoe als volgt. De noodzaak voor de machtiging uithuisplaatsing is ontleend aan de stellingen van de gecertificeerde instelling, terwijl die stellingen niet concreet zijn onderbouwd en daaraan geen deugdelijk onderzoek ten grondslag ligt. Uit psychodiagnostisch onderzoek van de moeder is bovendien gebleken dat "“ anders dan de gecertificeerde instelling vermoedde "“ niet is voldaan aan de DSM criteria voor een persoonlijkheidsstoornis, noch aan de criteria voor een autismespectrumstoornis. De gecertificeerde instelling zet daartegenover weliswaar observaties van diverse personen, maar die zijn geen van allen gekwalificeerd om een diagnose te stellen.
11. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de moeder heeft aangetoond dat zij in het belang van de minderjarige kan denken en handelen, door kort na de geboorte van de minderjarige in te stemmen met een vrijwillige uithuisplaatsing, omdat zij inzag dat zij op dat moment de zorg voor de minderjarige niet aankon. Ook nadien, toen de moeder constateerde dat vier uur aaneensluitend contact te belastend voor de minderjarige was, heeft de moeder de belangen van de minderjarige voor haar eigen belang gesteld.
13. Het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien, brengt het hof tot de conclusie dat de gronden voor de uithuisplaatsing onvoldoende blijken uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, zodat de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing zonder nader deugdelijk, wetenschappelijk onderzoek naar de (persoonlijkheid, opvoedingsvaardigheden en leerbaarheid van de) moeder, indien nodig in samenhang met onderzoek naar haar wijze van benadering van de minderjarige, naar het oordeel van het hof onrechtmatig is geweest. Dit klemt temeer daar de minderjarige die na zijn geboorte mede op initiatief van zijn moeder die vanwege een langdurige ziekenhuisopname toen niet voor hem kon zorgen in een crisispleeggezin is geplaatst, drie maanden later al in een perspectiefbiedend pleeggezin is geplaatst, hetgeen impliceert dat de band tussen ouder en kind blijvend verbroken zal worden. Onder deze omstandigheden is zulks naar het oordeel van het hof in strijd met artikel 8 EVRM en artikel 3 Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK).
16. Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor overwogen, staat naar het oordeel van het hof niet vast dat het perspectief van de minderjarige niet bij de moeder ligt. Naar het oordeel van het hof bestaat derhalve geen noodzaak voor inperking van het contact tussen de moeder en de minderjarige. Integendeel: een eventuele thuisplaatsing zal beter verlopen als de tussen de moeder en de minderjarige opgebouwde band zoveel mogelijk gestimuleerd en behouden blijft. Het hof neemt daarbij voorts in aanmerking dat de door de gecertificeerde instelling naar voren gebrachte contra-indicaties niet uit enig diagnostisch onderzoek blijken, maar slechts berusten op vermoedens van de gecertificeerde instelling. Het hof zal om die reden de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarin de contactregeling is vastgesteld en bepalen dat er eens per week een begeleid contact voor de duur van twee uren dient plaats te vinden.


Ga terug