Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Onderduiken heeft gewerkt

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De feiten

Het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] wordt uitgeoefend door de moeder. [voornaam minderjarige] woont bij de moeder. 

Bij beschikking van 13 januari 2020 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 13 juli 2020.

De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 april 2020 een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (crisispleeggezin) verleend voor de duur van vier weken, te weten tot 14 mei 2020.

Het aangehouden verzoek

De GI heeft een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verzocht voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 13 juli 2020. De GI heeft het verzoek niet gehandhaafd en daartoe het volgende aangevoerd. De moeder wil haar verblijfplaats niet met de GI delen uit angst dat [voornaam minderjarige] uit huis geplaatst wordt. Hierdoor is er momenteel geen zicht op de moeder en [voornaam minderjarige] . Positief is dat de jeugdbeschermer en de moeder sinds 23 april jl. meermaals per week telefonisch contact hebben. Zonder de druk van een machtiging tot uithuisplaatsing zal de moeder mogelijk wel willen meewerken aan de hulpverlening.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en hetgeen de jeugdbeschermer via de telefoon naar voren heeft gebracht, is gebleken dat er ernstige zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] zijn. Hij groeit op in een onstabiele en onveilige opvoedsituatie. [voornaam minderjarige] is meermaals getuige geweest van huiselijk geweld tussen de ouders. Op 19 maart 2020 heeft een incident tussen de ouders plaatsgevonden, waarna met de ouders veiligheidsafspraken zijn gemaakt. De moeder heeft zich onvoldoende aan de veiligheidsafspraken gehouden en blijft contact zoeken met de vader. Dit is niet in het belang van [voornaam minderjarige] . Sinds zijn geboorte heeft [voornaam minderjarige] op wisselende woonplekken met zijn moeder verbleven en weinig stabiliteit gekend.

Op 16 april 2020 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing verleend, gezien deze zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . De kinderrechter constateert dat deze spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] een averechts effect heeft. Momenteel is er geen zicht op waar en onder welke omstandigheden de moeder en [voornaam minderjarige] verblijven. De GI heeft aangegeven dat de moeder mogelijk wel aan de hulpverlening wil meewerken indien de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wordt opgeheven. De GI wil dat een kans geven.

De kinderrechter is van oordeel dat de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing daarom dient te worden opgeheven. Indien de zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] toenemen en de moeder niet gaat meewerken met de hulpverlening, kan de GI opnieuw om een machtiging tot uithuisplaatsing verzoeken.

De beslissing

De kinderrechter:

heft de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] met ingang van heden op;


Ga terug