Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Mag een pleegkind mee op vakantie als ouders het niet goedvinden?

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Desgevraagd heeft mevrouw [A] verklaard dat het verzoek niet ziet op vervangende toestemming voor een vakantie naar Duitsland in de herfstvakantie of een andere vakantie. Door het Coronavirus krijgt niemand op dit moment toestemming om met pleegkinderen naar het buitenland te gaan. Het verzoek is ingegeven door de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 30 september 2019 waarin de kinderrechter heeft overwogen dat een machtiging tot uithuisplaatsing dusdanig ingrijpt in het gezag dat de ouders zelf niet meer mogen beslissen waar hun kind verblijft. De bevoegdheid om daarover te beslissen wordt door de machtiging tot uithuisplaatsing overgedragen aan de GI, binnen de grenzen van die machtiging. Als de machtiging strekt tot verblijf in een pleeggezin krijgt de GI daarmee ook de bevoegdheid om de pleegouders toestemming te geven om met de kinderen op vakantie te gaan.

De beoordeling


De kinderrechter stelt vast dat overeenstemming tussen betrokkenen niet mogelijk is en acht de volgende beslissing in het belang van [voornaam van minderjarige 1] en [voornaam van minderjarige 2] wenselijk.

In de praktijk blijkt dat kinderrechters verschillend oordelen over de vraag of de ouders bij een uithuisplaatsing in het gedwongen kader zeggenschap blijven houden over het al dan niet op vakantie gaan van hun kind met de pleegouders. Anders dan de beschikking van deze rechtbank van 30 september 2019 luiden bijvoorbeeld (onder andere) de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 19 juli 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:14830) en de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 april 2019 (ECLI:NL:RBZWB:2019:2449).

Gelet op dit gebrek aan eenduidigheid in de rechtspraak over dit vraagstuk heeft de rechtbank Den Haag bij tussenbeschikking van 15 september 2020 (ECLI: NL:RBDHA: 2020:9018) prejudiciële vragen gesteld aan de Hoge Raad.

Twee van deze vragen luiden als volgt:

1a. Wanneer een kind uit huis is geplaatst op grond van artikel 1:265b BW hebben degene die met de dagelijkse verzorging en opvoeding van de minderjarigen zijn belast dan toestemming nodig van de met gezag belaste ouders(s) als zij met de minderjarige op vakantie willen gaan?

1d. Maakt het voor het antwoord op vraag 1a uit of het gaat om een uitstapje van bijvoorbeeld één of twee dagen, dan wel een korte of lange vakantie? En speelt de bestemming (binnenland of buitenland) in dit kader een rol?

Omdat de kinderrechter niet vooruit wil lopen op de door de Hoge Raad te beantwoorden vragen en deze niet wil doorkruizen zal de kinderrechter de verzoeken afwijzen. Het nu afgeven van een verklaring voor recht zoals verzocht of het geven van een ruime vervangende toestemming zoals verzocht zou immers een zeer ruimte bevoegdheid opleveren voor de GI in dit geval maar ook in andere gevallen terwijl nog niet onduidelijk is of dit past in het systeem van de wet. Ook het meer subsidiaire verzochte zal worden afgewezen nu de GI met dit verzoek niet heeft beoogd om vervangende toestemming te vragen voor een specifieke vakantie.


Ga terug