Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Kunnen OTS en vrijwillige uhp samengaan tot verlenging OTS?

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

5 De beoordeling

Op grond van artikel 1:265a van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW), zoals dit sinds

1 januari 2015 luidt, geschiedt plaatsing van de minderjarige buiten het gezin uitsluitend met een machtiging tot uithuisplaatsing.

Op grond van artikel 28, lid 2 sub b, van de Overgangswet nieuw BW geldt voor de uithuisplaatsing van een minderjarige, die onder toezicht is gesteld, het vereiste van artikel 1:265a BW pas vanaf het moment dat de ondertoezichtstelling voor het eerst verlengd wordt.

Nu de ondertoezichtstelling van [minderjarige] na 1 januari 2015 nog niet is verlengd, geldt in een geval als het onderhavige, waarin de ouder in feite instemt met de uithuisplaatsing, voormeld artikel 1:265a BW derhalve niet en is uithuisplaatsing op vrijwillige basis niet uitgesloten.

Op grond van artikel 1: 265b BW kan de kinderrechter de GI op haar verzoek machtigen de minderjarige uit huis te plaatsen indien dit, voor zover hier van belang, noodzakelijk is in het belang van de verzorging of opvoeding van de minderjarige.

Uit de ingediende stukken en de verklaringen ter zitting is gebleken dat [minderjarige] sinds de echtscheiding in 2009 in het gezin van de moeder heeft gewoond, maar dat hij sinds 1 februari 2015 bij de vader verblijft en sinds 1 maart 2015 bij de vader staat ingeschreven.

Verder is gebleken dat beide ouders goed met elkaar communiceren en dat zij in onderling overleg zaken over [minderjarige] en over de andere kinderen kunnen regelen.

De ouders zijn het met de GI eens dat het in het belang van de opvoeding en verzorging van [minderjarige] noodzakelijk is dat hij op dit moment bij de vader verblijft, omdat de gezinssituatie bij de moeder thuis erg onrustig is. De moeder heeft ter zitting expliciet aangegeven dat zij bereid is [minderjarige] bij de vader te laten verblijven voor de duur van de huidige ondertoezichtstelling.

Met de ouders en de GI acht de kinderrechter het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk dat hij op dit moment bij de vader verblijft.

Het verblijf van [minderjarige] bij de vader voor de resterende termijn van de ondertoezichtstelling acht de kinderrechter voldoende gewaarborgd door voormelde toezegging van de moeder.

Nu [minderjarige] op vrijwillige basis bij de vader kan verblijven, is een machtiging tot uithuisplaatsing thans niet noodzakelijk en zal het verzoek van de GI daarom worden afgewezen.


Ga terug