Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Klachten
<< vorige pagina   
print pagina
 

Klachten bij de raad voor de kinderbescherming

Klachten >>

Enkele voorbeelden van klachtbehandeling bij de raad voor de kinderbescherming:
· Bij de behandeling van klacht nummer 19 in 1999 (concept-analyse raad voor de kinderbescherming) is KOG aanwezig geweest. De analyse van de raad geeft weer:
1 klachtonderdeel gegrond, 6 klachtonderdelen ongegrond. Een van die ongegrond verklaarde klachtonderdelen was (niet uit de analyse op te maken dus, aangezien ongegrond verklaarde klachten niet beschreven worden): moeder heeft de stukken van de raad pas na de zitting bij de kinderrechter ontvangen. Tussen de zitting bij de kinderrechter en de behandeling bij de klachtencommissie was de oorzaak hiervan duidelijk geworden: twee cijfers in de postcode omgedraaid.
De klachtencommissie verklaarde dit klachtonderdeel ongegrond.
· Ouders van een weggelopen vijftienjarige dochter beklaagden zich bij de klachtencommissie dat er in het verzoekschrift tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van de raad voor de kinderbescherming stond, dat de dochter zodanig opgroeide dat haar zedelijke of geestelijke belangen ernstig werden bedreigd. De ouders hadden een conflict met hun dochter gehad, omdat zij onoverkomelijke bezwaren hadden tegen het drugs-circuit waarin haar vriendje verkeerde. Reden waarom zij was weggelopen en bij deze jongeman in was getrokken. De ouders probeerden dus hun dochter te behoeden voor ernstige bedreiging van haar zedelijke of geestelijke belangen.
Uit het verslag van de zitting van Klachtencommissie III Raad voor de Kinderbescherming (Directie Noord-West) op 25 juni 1998:
“De heer V. zegt vervolgens dat in het rapport geen recht wordt gedaan aan hem en zijn vrouw. Hij verwijst daarbij naar de conclusie van het rapport, waaruit hij opmaakt dat zij zijn afgeschilderd als slechte ouders. Het hele rapport is ‘toegeschreven’ naar een dergelijke compromitterende conclusie: te weten, ‘de Raad komt op grond van het onderzoek tot de conclusie dat A. zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd.’ Een van de commissieleden merkt op dat deze zinsnede door “leken” vaak verkeerd wordt geïnterpreteerd: het is juridische taal.
De woorden staan als zodanig in de wet genoemd als voorwaarde om tot een ots (ondertoezichtstelling) te komen.”
Toen de ouders daar toelichting op vroegen, is hun mondeling uitgelegd dat zij het inderdaad goed begrepen hadden: ‘de conclusie dat een minderjarige zodanig opgroeit dat haar zedelijke en geestelijke belangen ernstig worden bedreigd’ staat soms in raadsrapporten als deze uitspraak geen grondslag heeft in de feiten.

De klachtencommissie had daar geen bezwaar tegen.

Een brief d.d. 16 maart 1999 van het Platform SCJF hierover aan de Minister van Justitie lokte het antwoord uit dat het niet aan de Minister was een oordeel te hebben over wat een klachtencommissie raad voor de kinderbescherming deed. Alleen wanneer een lid van een klachtencommissie zijn taak ernstig verwaarloosde zou de Minister met deze klachtencommissie van doen hebben. Er is toen maar niet gevraagd hoe dit de Minister zou kunnen blijken.

In het kader van assistentie bij het indienen van klachten is KOG in één (1) zomer gestuit op het volgende:
· Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over het verdraaien en blijven verdraaien van een beschikking van de kinderrechter door de raadsmedewerker, met als argument dat de medewerker iets wil bereiken waartoe hij bevoegd is.
· Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over een onware opmerking in een rapport met als argument dat klaagster maar alerter had moeten reageren op het conceptrapport.
· Een vestigingsdirecteur acht een klacht ongegrond over een geheel ongemotiveerde overtuiging van de raadsmedewerker, met als argument dat onderzoekster de vrijheid heeft haar indrukken en overtuigingen te melden in de rapportage.
· Een vestigingsdirecteur vindt het geen probleem dat een raadsonderzoeker zonder opgave van redenen weigert argumenten van een ouder in de rapportage op te nemen, die argumenten dus ook niet hoeft te weerleggen, maar zonder meer stelt dat de ouder iets niet juist ziet. Dit ‘stellen’ noemt de directeur ‘concluderen’.
· Een vestigingsdirecteur vindt het geen probleem dat een raadsonderzoeker de rechter in de rapportage informatie onthoudt die volgens de ouder essentieel is, ondanks aandringen van de ouder deze informatie een plaats in het rapport te geven.

 


Ga terug