Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Kinderrechter heeft onvoldoende gemotiveerd waarom wetstekst van toepassing is op deze kinderen: niet genoeg

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>
5.1

Een beroepschrift dient op grond van artikel 359 juncto artikel 278 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een duidelijke omschrijving te vermelden van het verzoek (in hoger beroep) en de gronden waarop dit verzoek berust. Vereist is daarom dat blijkt (niet alleen dát de verzoeker de door hem/haar bestreden beslissing onjuist acht, maar ook) op welke gronden de verzoeker oordeelt dat de door hem/haar bestreden beslissing onjuist is. Dit houdt in dat het verzoek met redenen, in hoger beroep veelal aangeduid als grieven, moet zijn omkleed. Alleen in dat geval kan de wederpartij zich daartegen verweren en kan de rechter de grieven beoordelen. Het ontbreken van (voldoende als zodanig te duiden) gronden (grieven) leidt tot (ambtshalve) niet-ontvankelijkverklaring van het beroep, behoudens zeer uitzonderlijke omstandigheden waarin desnoods beroep kan worden ingesteld zonder dat de grieven in het beroepschrift worden voorgesteld, maar de grieven eerst in een later stadium worden aangevoerd.

5.2

Wat betreft de vereiste duidelijke omschrijving van het verzoek van de ouders in hoger beroep kan het hof uit het beroepschrift opmaken dat de ouders vernietiging vragen van de door de rechtbank gegeven bestreden beschikking en in de kern verzoeken om het verzoek van de raad - om [de minderjarige] onder toezicht te stellen en om machtiging te verlenen om haar uit huis te plaatsen - alsnog af te wijzen. De kennelijk onjuiste omschrijving van het verzoek zoals dat in het petitum is geformuleerd - afwijzing van het verzoek van de raad om het gezag van de moeder te beëindigen - acht het hof niet doorslaggevend nu met het benoemen van de beschikking van 19 juli 2019 en deze in het beroepschrift te duiden als beschikking ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing de door het beroepschrift bestreden beschikking voldoende is geïndividualiseerd. Bovendien is deze beschikking aan het beroepschrift gehecht. Het beroepschrift vermeldt aldus een voldoende duidelijke omschrijving van het verzoek van de ouders in hoger beroep.

5.3

Het hof kan uit het beroepschrift echter niet afleiden op welke gronden de ouders de bestreden beschikking onjuist achten. De ouders klagen in de grieven over de conclusie van de rechtbank dat sprake is van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van de minderjarige en dat de uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding en stellen hierover enkel dat de rechtbank onvoldoende heeft gemotiveerd wat de ernstige bedreiging is en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de uithuisplaatsing noodzakelijk zou zijn. De grieven van de ouders komen in de kern genomen dan niet verder dan de enkele stelling dat de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing niet kunnen worden uitgesproken omdat niet is voldaan aan het wettelijk criterium althans dat dat niet voldoende blijkt uit de motivering van de rechtbank. De ouders hebben in het beroepschrift niet aangegeven op grond van welke feiten en omstandigheden zij menen dat het hof in hoger beroep een andere beslissing dient te nemen dan de rechter in eerste aanleg heeft gedaan.

5.4

De ouders vragen het hof weliswaar een termijn om (alsnog) de grieven in te dienen maar zij miskennen hiermee dat in een verzoekschriftprocedure, anders dan in dagvaardingsprocedures, het niet mogelijk is om op nader aan te vullen gronden beroep in te stellen. Daarbij heeft het hof in ogenschouw genomen dat de ouders geen uitzonderlijke omstandigheden hebben gesteld op grond waarvan het voor hen noodzakelijk is geweest een blanco beroepschrift, zijnde een beroepschrift zonder gronden, in te dienen. Wat de ouders in het journaalbericht van 19 november 2019 met producties hebben aangevoerd is daartoe onvoldoende. Van een apparaatsfout in de zin van de rechtspraak van de Hoge Raad is hier geen sprake.

5.5

Het hof merkt hierbij voorts op dat niet uitgesloten is dat een de rechter in hoger beroep, met inachtneming van het beginsel van hoor en wederhoor, in beginsel ook acht dient te slaan op grieven die na het verzoekschrift (respectievelijk het verweerschrift) in hoger beroep worden aangevoerd dan wel dat beslist dient te worden met inachtneming van alle oude en nieuwe feiten en omstandigheden van het geval. Dat betekent echter niet dat bij de indiening van een beroepschrift kan worden volstaan met de indiening van een blanco beroepschrift als hiervoor bedoeld.

5.6

Het hof komt dan ook tot het oordeel dat het beroepschrift niet voldoet aan de in de hiervoor genoemde artikelen gestelde eisen en dat de ouders daarom niet in hun verzoek in hoger beroep kunnen worden ontvangen.


Ga terug