Kinderen blijven bij vader wonen, uhp niet nodig: wijziging hoofdverblijf

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het verloop van de afgelopen periode dat het in het belang van de kinderen is om vanuit de huidige situatie, waarbij de kinderen bij de vader verblijven en het contact met de moeder geborgd is, toe te werken naar een stabiele en gelijke verdeling van de verzorging en opvoeding. Daarom is er voor de rechtbank op dit moment geen aanleiding om de situatie te wijzigen. Integendeel, met de uithuisplaatsing is een ingrijpende beslissing genomen voor de kinderen. De omkering van die situatie zou voor de kinderen opnieuw en nu onnodig ingrijpend zijn. Dat de kinderen dichterbij school, sport en vriendjes zijn als zij bij de moeder wonen maakt dit niet anders. De afgelopen periode is niet gebleken dat de relatief beperkte afstand tot het sociale leven van de kinderen in de buurt van de moeder onoverkomelijk is of de belangen van de kinderen onevenredig schaadt.

In het verlengde daarvan ligt ter beoordeling voor of het verblijf van de kinderen bij de vader geformaliseerd moet worden door de hoofdverblijfplaats van de kinderen aldaar te bepalen of door de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen. Daarbij is van belang dat een maatregel tot uithuisplaatsing een ander karakter heeft en doel dient dan het vaststellen van de hoofdverblijfplaats. De uithuisplaatsing moet noodzakelijk zijn in het belang van de verzorging en opvoeding en is in beginsel van tijdelijke aard, omdat wordt toegewerkt naar terugplaatsing, althans de (on)mogelijkheden daartoe onderzocht moeten worden. Hoewel een machtiging tot uithuisplaatsing kan voorzien in een plaatsing bij de andere met gezag belaste ouder, heeft het naar het oordeel van de rechtbank de voorkeur als dit op een andere manier dan met een ingrijpende kinderbeschermingsmaatregel bereikt wordt, zoals wijziging van de hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Die wijziging is in beginsel niet aan een termijn gebonden en biedt het kind daardoor meer duidelijkheid en zekerheid over wanneer hij bij welke ouder verblijft. De rechtbank betrekt daarbij ook de conclusie bij de uitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:1086): “Indien de ouder waarbij het kind op grond van een machtiging tot uithuisplaatsing is geplaatst, verzoekt de hoofdverblijfplaats van het kind bij hem of haar te bepalen en dit verzoek in overeenstemming is met het belang van het kind, mede in het licht van de overige omstandigheden van het geval, dient dit verzoek dan ook in beginsel te worden toegewezen. Uit het voorgaande volgt eveneens dat de rechter bij toewijzing van het verzoek tot wijziging van de hoofdverblijfplaats niet hoeft te motiveren waarom de uithuisplaatsing niet meer adequaat is. In het systeem van de wet is de uithuisplaatsing geen ‘lichtere’ maatregel dan een beslissing tot bepaling van de hoofdverblijfplaats.”

Zoals hiervoor reeds overwogen is de rechtbank van oordeel dat de woonsituatie van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] op dit moment niet gewijzigd moet worden. Een doel is nog steeds om onbelast contact tussen de kinderen en beide ouders te realiseren vanuit de situatie dat de kinderen bij de vader wonen. In dat licht heeft de machtiging tot uithuisplaatsing naar het oordeel van de rechtbank op dit moment geen meerwaarde ten opzichte van een wijziging van de hoofdverblijfplaats. Immers, de gecertificeerde instelling kan met de aan hen gegeven regie over de zorgregeling het gezin ook binnen het kader van de ondertoezichtstelling begeleiden bij de opbouw van de zorgregeling naar een situatie waarbij de kinderen uiteindelijk zowel bij de vader als de moeder zullen verblijven.

Daarnaast acht de rechtbank het van belang dat [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] duidelijkheid krijgen over hun woonsituatie en zo min mogelijk worden belast met juridische procedures, om welke reden de wijziging van de hoofdverblijfplaats ook de voorkeur geniet boven een verlenging van de uithuisplaatsing.

Daarom zal de rechtbank het verzoek van de vader op grond van artikel 1:253a, tweede lid onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) toewijzen en beslissen dat de kinderen de hoofdverblijfplaats bij hem zullen hebben. Gelet op die beslissing zal de rechtbank het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader afwijzen.


Ga terug