Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

In hoger beroep raakt William Schrikker het gezag weer kwijt

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind is: hoe lang kan het kind in onzekerheid kan verkeren over de vraag in welk gezin hij of zij zal opgroeien, zonder verdergaande ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling? Wat voor een individueel kind een redelijke termijn is, hangt af van de leeftijd van het kind en diens ontwikkeling. In ieder geval sluit een jarenlange verlenging van de ondertoezichtstelling daar niet bij aan en is voor jongere kinderen de aanvaardbare termijn over het algemeen korter dan voor oudere kinderen. Volgens de wetgever is blijkens de eerder aangehaalde MvT (Kamerstukken II 2008/09, 32 015, nr. 3, p. 34) voor de toepassing van dit uitgangspunt maatwerk vereist en zijn precieze termijnen niet te geven.

5.7

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] toen zij vier weken oud was onder toezicht is gesteld en met spoed uit huis is geplaatst vanwege de grote zorgen over de situatie in het gezin van de moeder en de vader. [minderjarige 1] is toen bij haar oom en tante vaderszijde geplaatst en verblijft hier nu ruim twee jaar. De moeder heeft sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] heel hard aan zichzelf gewerkt. Zo heeft zij voor haar borderline problematiek gedragstherapie gevolgd. Verder is zij samen met haar moeder in systeemtherapie gegaan. Hierdoor heeft zij nu een goede band met haar moeder die zij dagelijks spreekt en wekelijks ziet. Ook zorgt zij zelf voor haar andere dochter [minderjarige 2] van (ruim) een jaar oud. Zij woont met [minderjarige 2] , na eerst op de Ouder-Kind afdeling bij de Brijder-stichting en in een [naam huis] te hebben verbleven, sinds oktober 2021 in een eigen woning. Het [naam huis] schrijft op 10 juni 2021 dat de moeder na een geslaagd traject bij de Ouder-Kind afdeling van Brijder op 11 maart 2021 met [minderjarige 2] naar het [naam huis] is gekomen. De moeder heeft een grote gedragsverandering laten zien. Zij staat sterker in haar schoenen, kent haar grenzen en kan deze bewaken. Ook is zij weerbaarder geworden tegen negatieve invloeden. Het [naam huis] ziet een warme en betrokken moeder die haar dochtertje een veilige basis geeft waar vanuit zij de wereld kan ontdekken. Sinds 19 oktober 2021 woont de moeder met [minderjarige 2] in een zelfstandige woning en zij krijgt daar ambulante begeleiding bij de opvoeding van [minderjarige 2] van Jeugdformaat. De moeder laat de vader niet meer toe in de opvoedsituatie van [minderjarige 2] en zij heeft haar nieuwe adres geheim gehouden voor de vader. Verder is de moeder voornemens om een opleiding te gaan volgen.

5.8

Het hof is van oordeel dat het gezag van de moeder nu niet beëindigd dient te worden. Gezien de hiervoor geschetste positieve ontwikkelingen aan de zijde van de moeder kan het hof op dit moment niet uitsluiten dat de moeder binnen een niet al te lange tijd in staat zal zijn om zelf de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] te dragen. Dat dit in het verleden, ten tijde van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige 1] niet het geval was, staat vast en wordt ook niet ontkend door de moeder. Zij heeft zich echter sindsdien op alle vlakken verbeterd.

5.9

Ten aanzien van de aanvaardbare termijn overweegt het hof als volgt. [minderjarige 1] is ruim twee jaar oud. Zij verblijft sinds kort na haar geboorte bij de pleegouders en zij ontwikkelt zich daar harmonieus. Daarmee is de doorgaans gestelde aanvaardbare termijn voor kinderen van de leeftijd van [minderjarige 1] van zes maanden verstreken. Daar staat tegenover dat [minderjarige 1] nog zo jong is dat zij zich niet bewust is van (verlengings)zittingen van een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing en deze nog nauwelijks onzekerheden met zich brengen. Hoewel het ontegenzeggelijk in het belang is van [minderjarige 1] dat er duidelijkheid komt over haar opvoedperspectief, is het hof van oordeel dat de raad en de gecertificeerde instelling, gelet op de bijzondere, positieve omstandigheden van het onderhavige geval, dit belang van [minderjarige 1] onvoldoende concreet hebben gemaakt. De raad en de gecertificeerde instelling hebben dit belang niet of onvoldoende afgewogen tegen het belang van [minderjarige 1] om door haar biologische moeder, samen met haar biologische zusje, te worden verzorgd en opgevoed. De moeder heeft immers, ook in de visie van de raad en de gecertificeerde instelling, een zeer positieve ontwikkeling doorgemaakt waardoor zij nu een stabiel leven en een eigen woning heeft, en zij de volledige verzorging en opvoeding voor het jongere zusje van [minderjarige 1] draagt. Het belang van [minderjarige 1] om thans duidelijkheid te krijgen over waar haar perspectief ligt, weegt in het onderhavige geval minder zwaar dan het belang van de moeder om (mogelijk) haar kind zelf te verzorgen en op te voeden en het belang van [minderjarige 1] om (mogelijk) deel uit te gaan maken van het gezin van haar biologische moeder en zusje. Het hof laat in dit oordeel zwaar meewegen het gegeven dat het uitdrukkelijk niet de intentie is van de moeder om de plaatsing van [minderjarige 1] bij de pleegouders op korte termijn te beëindigen. De moeder ziet het belang van de hechting van [minderjarige 1] in het pleeggezin in en zij heeft aangegeven dat zij in stapjes wil onderzoeken of plaatsing bij haar in het belang van [minderjarige 1] is. Zij wenst pas terugplaatsing van [minderjarige 1] wanneer blijkt dat [minderjarige 1] veilig aan haar, de moeder, is gehecht. Daarbij heeft de moeder aangegeven dat zij zich, indien zou blijken dat het niet in het belang van (de hechting van) [minderjarige 1] is dat zij weer bij haar zou gaan wonen, bij de plaatsing van [minderjarige 1] in het pleeggezin zal neerleggen. Het – op dit moment – niet beëindigen van het ouderlijk gezag van de moeder brengt daarom niet de (onmiddellijke) terugplaatsing van [minderjarige 1] bij de moeder met zich. Het hof acht het in het grootste belang van [minderjarige 1] dat in de komende tijd wordt onderzocht of terugplaatsing van [minderjarige 1] daadwerkelijk in het belang is van [minderjarige 1] en zo ja, op welke wijze dit op een voor haar veilige manier kan geschieden.

5.10

Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en het inleidende verzoek van de raad om het gezag van de moeder over [minderjarige 1] te beëindigen, met benoeming van de gecertificeerde instelling tot voogdes, alsnog afwijzen.


Ga terug