Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

In drangkader in pleeggezin geplaatst

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het verzoek

De ouders hebben de vrijwillige terugplaatsing van [voornaam minderjarige] verzocht.

De beoordeling

Het verzoek van de ouders om [voornaam minderjarige] vrijwillig terug te plaatsen is, gelet op boek 1 van het Burgerlijk Wetboek juncto artikel 261 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet een verzoek dat ter beoordeling is aan de kinderrechter. De kinderrechter zal daarom het verzoek van de ouders niet-ontvankelijk verklaren.

De kinderrechter hecht eraan het volgende te overwegen naar aanleiding van het verzoek van de ouders. Uit de overgelegde stukken, in het bijzonder het verslag van de bijzondere curator, en de behandeling ter zitting blijkt dat [voornaam minderjarige] op 26 maart 2019 in het zogenoemde drangkader in een pleeggezin is geplaatst. Veilig thuis Zuid-Holland Zuid heeft hierover in een brief aan ouders van 21 mei 2019 onder meer het volgende geschreven:

"Op 25 maart 2019 is er een Complex-Casus-overleg geweest over jullie thuissituatie. Er is gesproken over de zorgen die er zijn over jullie en [voornaam minderjarige] en wat er zou moeten gebeuren. Deelnemers aan het overleg waren Veilig Thuis, het Sociaal Wijkteam, de Raad voor de Kinderbescherming, de Antes Reclassering, Jeugdbescherming West, de gemeente (Hardinxveld Giessendam), woningbouwvereniging, het Veiligheidshuis, de politie en het Openbaar Ministerie. Tijdens de bespreking bleek dat niet alleen Veilig Thuis maar dat ook de andere deelnemers zich grote zorgen maakten.

De zorgen waren zo groot dat besloten is dat de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek zou moeten gaan doen. Bovendien vroeg men zich af of [voornaam minderjarige] wel thuis kon blijven wonen.

De dag erna (26-03-2019) is besloten dat [voornaam minderjarige] het beste voorlopig op een andere plek kon wonen."

In een bijlage bij het verslag van de bijzondere curator: "Informatieoverdracht van Veilig Thuis aan de Raad voor de Kinderbescherming", gedateerd 15 mei 2019, staat dat er op 26 maart 2019 intensief overleg is geweest tussen het Sociaal Wijkteam, de Raad en Veilig Thuis over het gezin. De Raad zou een spoedmaatregel bij de kinderrechter aanvragen indien de ouders niet vrijwillig zouden meewerken aan een uithuisplaatsing. Omdat het ging om een zeer ingrijpende gebeurtenis is besloten de politie te vragen op de achtergrond aanwezig te zijn.

Vier medewerkers van het Sociaal Wijkteam en Veilig Thuis hebben de ouders op 26 maart 2019 bezocht. Blijkens de bovengenoemde "Informatieoverdracht" waren de ouders heel emotioneel en uitten zij veel onbegrip en frustratie. Uiteindelijk hebben de ouders, op een "heel prettige en passende manier", [voornaam minderjarige] overgedragen aan de pleegouders van de zus van [voornaam minderjarige] .

De kinderrechter stelt vast dat [voornaam minderjarige] van 26 maart 2019 tot 8 of 9 mei 2019 in een pleeggezin heeft verbleven, waarvan de eerste (en de laatste) week met instemming van de ouders. Gelet op de weergave van de gebeurtenissen op 26 maart 2019 in de hiervoor genoemde "Informatieoverdracht" begrijpt de kinderechter overigens dat de ouders zich overvallen hebben gevoeld en daarom (uiteindelijk) hebben ingestemd met een plaatsing in een pleeggezin. Het is de vraag of de instanties mochten concluderen dat de ouders volmondig instemden met de uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] .

Uit de stukken blijkt dat de vader na een week telefonisch contact is gaan zoeken met Veilig Thuis en de Raad omdat de ouders niet (meer) instemden met het verblijf van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin. Dit blijkt ook uit opnames van telefoongesprekken die de bijzondere curator heeft beluisterd. Dat de vader voldoende duidelijk was over zijn wens om [voornaam minderjarige] terug te krijgen blijkt naar de mening van de kinderrechter ook uit het feit dat Veilig Thuis op een later tijdstip opnieuw een melding bij de Raad heeft gedaan omdat ouders niet instemden met de "vrijwillige uithuisplaatsing".

De kinderrechter begrijpt, gelet op de overgelegde stukken, dat Veilig Thuis zich zorgen maakte over de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] , maar acht het onbegrijpelijk dat blijkbaar geen van de betrokken instanties zich heeft gerealiseerd dat een kind alleen tegen de wil van de ouders uit huis mag worden geplaatst met een machtiging van de kinderrechter. Het lijkt er op dat [voornaam minderjarige] in ieder geval vanaf begin april 2019 tot 2 mei 2019 onttrokken is geweest aan het gezag van de ouders. De werkwijze van de betrokken instanties heeft daarnaast voor veel onnodige stress bij de ouders gezorgd. Daarmee was het belang van [voornaam minderjarige] zeker niet gediend.


Ga terug