Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Hoge Raad oordeelt dat art. 810a RV van toepassing is: onderzoek naar noodzaak verlenging uhp

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

2 Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

In cassatie staat, evenals in appel, 15 alleen de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing ter discussie; niet de verlenging van de ondertoezichtstelling. 16 Meer in het bijzonder klaagt de moeder over de afwijzing van haar verzoek om een deskundigenonderzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv. Volgens het middel miskent het hof dat een dergelijk verzoek niet kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich voldoende voorgelicht acht (zoals het hof overweegt in de eerste volzin van rov. 5.5). Voor zover het hof het oog heeft op een andere afwijzingsgrond, is zijn oordeel bij gebreke van enige motivering onbegrijpelijk. Het slagen van de klachten leidt ertoe dat ook de oordelen van het hof over de verlenging van de machtigingen tot uithuisplaatsing niet in stand kunnen blijven, aldus het middel.

2.2

Ter inleiding citeer ik de maatstaven die de Hoge Raad heeft geformuleerd in een beschikking uit 2014, 17 waarop het middel een beroep doet:

"3.3.2 Art. 810a lid 2 Rv bepaalt dat de rechter in zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen, de ontheffing en ontzetting van het ouderlijk gezag, of de ontzetting van de voogdij, op verzoek van een ouder en na overleg met die ouder een deskundige benoemt, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Met deze bepaling is beoogd te bevorderen dat ouders van minderjarigen een standpunt van de Raad voor de Kinderbescherming in een zaak over een maatregel van jeugdbescherming die wezenlijk ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven, desgewenst gemotiveerd kunnen weerspreken (Kamerstukken II 1993/94, 22 487, nrs. 15 en 18; Handelingen II 1993/94, p. 4135-4161).

3.3.3

Een voldoende concreet en terzake dienend verzoek tot toepassing van art. 810a lid 2 Rv, dat feiten en omstandigheden bevat die zich lenen voor een onderzoek door een deskundige, zal in beginsel moeten worden toegewezen indien de rechter geen feiten of omstandigheden aanwezig oordeelt op grond waarvan moet worden aangenomen dat toewijzing van het verzoek strijdig is met het belang van het kind.

3.4 ("¦)

Voor zover het hof heeft geoordeeld dat het zich op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting voldoende voorgelicht acht om een beslissing te nemen, respectievelijk dat de kwaliteit en de wijze van totstandkoming van het raadsrapport geen aanleiding geven tot een nader onderzoek, heeft het miskend dat noch het een noch het ander de afwijzing van een verzoek op de voet van art. 810a lid 2 Rv rechtvaardigt."

2.3

In de rechtsliteratuur wordt, mede tegen de achtergrond van deze beschikking, aangenomen dat art. 810a lid 2 Rv een beperking inhoudt van de vrijheid die de rechter normaliter "“ buiten de context van kinderbeschermingsmaatregelen als de onderhavige "“ toekomt bij de beslissing om al dan niet een deskundige te benoemen. 18 Ratio hiervan is het in rov. 3.3.2 van de geciteerde beschikking bedoelde beginsel van "equality of arms". Het gaat erom dat de ouder in staat wordt gesteld om weerwoord te bieden aan hetgeen de Raad voor de Kinderbescherming "“ of, zo voeg ik toe, de gecertificeerde instelling als uitvoerder van de maatregel (vgl. art. 1.1 van de Jeugdwet) "“ heeft aangevoerd over de noodzaak van de verzochte maatregel van jeugdbescherming. Conform deze ratio wordt aangenomen dat art. 810a lid 2 Rv niet is beperkt tot gevallen waarin een recent onderzoeksverslag ten grondslag ligt aan de verzochte maatregel. 19

2.4

Art. 810a lid 2 Rv spreekt (voor zover hier van belang) over "zaken betreffende de ondertoezichtstelling van minderjarigen". Daaronder vallen ook zaken waarin, zoals hier, niet de ondertoezichtstelling als zodanig, maar alleen de daaraan gekoppelde uithuisplaatsing ter discussie staat. Het wettelijk stelsel houdt immers in dat een uithuisplaatsing (art. 1:265a e.v. BW) slechts mogelijk is in het kader van een ondertoezichtstelling (art. 1:254 e.v. BW). Dienovereenkomstig verklaarde de staatssecretaris bij de behandeling van het amendement dat tot invoering van art. 810a lid 2 Rv heeft geleid (waarvan hij zelf overigens geen voorstander was):

"Bij de uithuisplaatsing geldt het amendement al, aangezien dit een vervolg is op de ondertoezichtstelling." 20

De al genoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv speelt bij uithuisplaatsingen een nog grotere rol, aangezien een uithuisplaatsing als kinderbeschermingsmaatregel nog dieper ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer en het familie- en gezinsleven dan de enkele ondertoezichtstelling.

2.5

Over de betekenis van art. 810a lid 2 Rv in procedures over de verlenging van een machtiging tot uithuisplaatsing merk ik het volgende op. Een machtiging tot uithuisplaatsing is "“ evenals een ondertoezichtstelling in het algemeen 21 "“ bedoeld als een tijdelijke maatregel, voor gevallen waarin de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders binnen een voor de minderjarige aanvaardbare termijn in staat zullen zijn de verzorging en opvoeding weer op zich te nemen (art. 1:255 lid 1, aanhef en onder b, BW). Verlengingen zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder(s) zijn in de visie van de wetgever niet mogelijk. Ontbreekt perspectief op terugplaatsing, dan is een beëindiging van het ouderlijk gezag aangewezen (art. 1:266, aanhef en onder a, BW). 22 Indien een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing twee jaar of langer heeft geduurd, dient het verzoek tot verlenging vergezeld te gaan van een advies van de Raad voor de Kinderbescherming (art. 1:265j lid 3 BW). De achterliggende gedachte is dat het na zoveel tijd de vraag is, of nog perspectief bestaat op terugplaatsing. 23

2.6

Uit het voorgaande volgt dat het hof in dit geval had moeten beoordelen of het in alinea 1.8 geciteerde verzoek van de moeder (a) voldoende concreet en (b) ter zake dienend was. Zo ja, dan had het hof dat verzoek moeten toewijzen, tenzij het hof (c) toewijzing van het verzoek strijdig achtte met het belang van de kinderen. Uit de eerste alinea van rov. 5.5 kan mijns inziens niet worden afgeleid dat − en hoe − het hof een en ander heeft beoordeeld. De overweging dat het hof zich "voldoende voorgelicht" acht, lijkt te zijn geënt op de algemene maatstaf voor toewijsbaarheid van een verzoek om een deskundigenbericht (art. 194 e.v. Rv). 24 Volgens de genoemde beschikking uit 2014 is die algemene maatstaf niet toereikend voor de afwijzing van een verzoek om nader onderzoek op grond van art. 810a lid 2 Rv. In zoverre geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting; in ieder geval is dat oordeel in het licht van de geldende maatstaven onvoldoende gemotiveerd.

2.7

Waar de moeder in appel zo nadrukkelijk een beroep op art. 810a Rv had gedaan "“ zie het citaat in alinea 1.8 hiervoor "“ moet de mogelijkheid onder ogen worden gezien dat het hof in het vervolg van rov. 5.5 impliciet het oordeel heeft willen neerleggen dat hetzij het verzoek van de moeder om contra-expertise niet voldoende concreet en ter zake dienend was, hetzij de inwilliging van dat verzoek in strijd zou zijn met het belang van de kinderen (de twee, in alinea 2.2 hiervoor genoemde afwijzingsgronden). Ik verken hieronder deze mogelijkheden.

2.8

In rov. 5.2 heeft het hof het verzoek van de moeder als volgt weergegeven:

"Nu de rechtbank zich reeds heeft uitgelaten over het perspectief van de kinderen, te weten dat zij in de pleeggezinnen blijven, is daarmee naar de mening van de moeder het perspectief al bepaald. Zij ziet hierin aanleiding om een contra-expertise te laten plaatsvinden."

Deze weergave zou erop kunnen duiden dat het hof het verzoek van de moeder om contra-expertise aldus heeft opgevat, dat het was toegespitst op een dreigende beëindiging van het gezag wegens het ontbreken van een perspectief op terugplaatsing (vgl. art. 1:266 e.v. BW). In deze zaak was de beëindiging van het gezag (nog 25) niet aan de orde. Dat was echter niet de reden om het verzoek van de moeder ter zijde te stellen: in (de derde volzin van) rov. 5.5 heeft het hof het oordeel van de kinderrechter uitdrukkelijk overgenomen. Kennelijk is ook het hof van oordeel dat het vooruitzicht is dat deze kinderen permanent in de pleeggezinnen zullen blijven omdat thuisplaatsing bij de moeder niet mogelijk is, zoals de kinderrechter overwoog. Hiervan uitgaande, is niet zonder meer duidelijk waarom het verzoek van de moeder "“ zoals in rov. 5.2 weergegeven door het hof "“ niet ter zake dienend werd geacht. Met haar verzoek om een contra-expertise heeft de moeder kennelijk tegenover dat perspectief een ander perspectief willen stellen waarin een thuisplaatsing bij de moeder niet wordt uitgesloten.

2.9

Het hof overweegt verder dat de verlenging noodzakelijk is in het belang van de kinderen, met het oog op "de voor hen noodzakelijke rust, veiligheid, stabiliteit en voorspelbaarheid" (rov. 5.5) en "de continuïteit en de veiligheid in de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen" (rov. 5.6). Heeft het hof een eventuele inwilliging van het verzoek om contra-expertise impliciet in strijd geacht met het belang van de kinderen? Ik teken hierbij aan dat gevallen waarin de rechter het te verrichten onderzoek op zichzelf te belastend heeft geacht voor het kind, in de praktijk relatief zeldzaam zijn. 26 Sterker nog, uit het in alinea 1.2 e.v. besproken procesverloop blijkt dat ook de GI in deze zaak aanvankelijk aanstuurde op een deskundigenonderzoek. De GI baseerde zich daarbij op eerdere beslissingen van de kinderrechter. In de loop van de procedure is de moeder echter geconfronteerd met de door de kinderrechter en het hof onderschreven opvatting van de GI, dat het verblijfsperspectief van de kinderen inmiddels binnen de pleeggezinnen is komen te liggen. De meergenoemde ratio van art. 810a lid 2 Rv brengt dan mee dat de moeder, mits haar verzoek aan de daarvoor geldende vereisten voldeed, in staat dient te worden gesteld om met behulp van een (nader) deskundigenonderzoek weerwoord te bieden aan die opvatting van de verzoekende instelling. 27 Tegen die achtergrond acht ik het oordeel dat het hof zich "voldoende voorgelicht" acht, niet voldoende voor de gevolgtrekking dat het gevraagde nader onderzoek in strijd is met het belang van de kinderen.

2.10

De slotsom is dat de klachten slagen en dat na verwijzing alsnog zal moeten worden beoordeeld of het op art. 810a Rv gebaseerde verzoek, met inachtneming van de in alinea 2.2 geciteerde maatstaven, toewijsbaar is.

3 Conclusie

De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.


Ga terug