Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Hof Den Haag 12 september 2018: kinderrechter had vol moeten toetsen. Het recht op omgang bij uithuisplaatsing: hoe ver reikt de verantwoordelijkheid van 'jeugdzorg'?

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

5.6

Het hof stelt het volgende voorop. Op grond van artikel 1:265f lid 1 BW kan de gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de uithuisplaatsing van de minderjarige, de contacten tussen een met het gezag belaste ouder en de minderjarige beperken voor de duur van de uithuisplaatsing. Ingevolge lid 2 van genoemd artikel heeft de beslissing van de gecertificeerde instelling te gelden als een schriftelijke aanwijzing in de zin van artikel 1:263 BW. De schriftelijke aanwijzing dient te worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb. In de eerste plaats dient de rechter dan ook, aan de hand van het bepaalde in de hoofdstukken 3 en 4 Awb, te beoordelen of het besluit zorgvuldig tot stand is gekomen en toereikend is gemotiveerd. Op grond van artikel 1:265 lid 3 BW in verbinding met artikel 1:264 lid 1 BW kan de kinderrechter een schriftelijke aanwijzing op verzoek van een met het gezag belaste ouder geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren of intrekken, met dien verstande dat de kinderrechter een zodanige regeling kan vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.

5.7

Voorts overweegt het hof dat ouders(s) en kind recht hebben op omgang met elkaar. Op grond van genoemde verdragen rust op de overheid en daarmee op de gecertificeerde instelling als uitvoerder van de jeugdmaatregelen als de ondertoezichtstelling een positieve verplichting ervoor zorg te dragen dat het familieleven zoveel als mogelijk gehandhaafd blijft. Deze positieve verplichting leidt ertoe dat alle voorbereidende maatregelen getroffen moeten worden om contact tussen ouder en het kind mogelijk te maken. Bovendien dient voortvarend te worden opgetreden, aangezien tijdsverloop onherstelbare gevolgen kan hebben voor de relatie tussen ouder en het kind (EHRM 29 januari 2013, nr. 25704/11 Lombardo t. Italië). Waar staten een grote vrijheid hebben in kinderbeschermingszaken, hebben zij juist een grote verantwoordelijkheid tot het bevorderen van contact tussen kinderen en hun ouders (EHRM 17 juli 2014, nr. 19315/11, EHRC 2014/256, m.nt. M. Tuinman en P. Montanus (T./Tsjechië). Nadat een kind uit huis is geplaatst, rust er een grote verantwoordelijkheid op een staat teneinde het bezoekrecht van een ouder met het kind te waarborgen.

5.8
 

Het hof constateert dat de kinderrechter bij de bestreden beschikking wel heeft vastgesteld dat de voormalige gecertificeerde instelling geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht van de kinderrechter om zich schriftelijk uit te laten over de wenselijke vormgeving en frequentie van het contact tussen de minderjarigen en de moeder, maar vervolgens "“ naar het oordeel van het hof "“ zonder deugdelijke motivering deze beperkte omgangsregeling in stand heeft gelaten. De kinderrechter had de beslissing van de voormalige gecertificeerde instelling "“ gelet op bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM "“ vol moeten toetsen, hetgeen zonder onderbouwing van deze beperking van de omgang door de voormalige gecertificeerde instelling onmogelijk was. Het hof begrijpt dan ook de stelling van de moeder zo dat zij van mening is dat de bestreden beschikking te summierlijk is gemotiveerd. Het hof is van oordeel dat de voormalige gecertificeerde instelling, noch de rechtbank voldoende onderbouwd hebben beargumenteerd op grond waarvan de omgang tussen de ouders en de minderjarigen twee uur in de acht weken zou moeten zijn.

5.9

Nu een nieuwe gecertificeerde instelling bij de zaak betrokken is en bij gebrek aan onderbouwde informatie, acht het hof het van belang "“ alvorens een beslissing te nemen over de frequentie van de omgang tussen de ouders en de minderjarigen "“ het reeds door de gecertificeerde instelling aangevangen onderzoek naar het verloop van de omgang af te wachten. De gecertificeerde instelling wordt verzocht tegen na te noemen pro-forma datum te rapporteren welke frequentie van de omgangsregeling het meest in het belang van de minderjarigen moet worden geacht.

6De beslissing

Het hof:

alvorens nader te beslissen:

verzoekt de gecertificeerde instelling een onderzoek te verrichten als hierboven overwogen in rechtsoverweging 5.9 en daarover vóór 19 december 2018 te rapporteren;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

 


Ga terug