Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het kind mag niet verplaatst worden: blijft bij de grootouders

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het deelrapport met betrekking tot de moeder vermeldt dat de moeder zich een liefdevolle ouder toont. Evenwel is sprake van persoonlijke problematiek bij de moeder, waardoor zij sterk van zichzelf en haar eigen behoeften uitgaat en onvoldoende kan reflecteren op haar eigen handelen. De moeder toont zich beperkt in haar betrokkenheid en emotionele beschikbaarheid voor [de minderjarige] . Voorts is sprake van angst en negatieve gevoelens van de moeder richting de vader. Zij is daardoor niet goed in staat haar eigen belang en het belang van [de minderjarige] te scheiden en de omgang van [de minderjarige] met de andere ouder onbelast te laten verlopen.

Het deelrapport ten aanzien van de vader vermeldt dat de vader zich een sterk betrokken en liefdevolle ouder toont, maar dat anderzijds ook bij hem sprake is van ernstige problematiek. De vader is emotioneel instabiel, heeft problemen zichzelf te beheersen, onvoldoende zelfreflectie en is niet goed in staat zijn eigen belang en het belang van [de minderjarige] te scheiden. Het voornoemde werkt door in de opvoedvaardigheden van de vader, in die zin dat hij niet goed kan reflecteren op zijn eigen opvoedingshandelen, hij zaken niet kan nuanceren en daardoor niet goed kan aansluiten bij hetgeen [de minderjarige] nodig heeft. Er is een overschatting van de eigen mogelijkheden en er is sprake van afhankelijkheid van zijn partner ten aanzien van adequaat opvoedingshandelen, Voorts is er een vergroot risico dat [de minderjarige] getuige zal zijn van conflicten als zij bij de vader gaat wonen. Op dit moment worden de beperkingen van de vader te zwaar geacht om voldoende tegemoet te kunnen komen aan de opvoedingsbehoeften van [de minderjarige] . Voor de vader is hulpverlening geïndiceerd. Het is op basis van het onderzoek onvoldoende in te schatten in hoeverre hulpverlening effectief zal zijn.

Aangezien geen toestemming wordt verleend voor wijziging in het verblijf van [de minderjarige] zal het aansluitende verzoek om een machtiging te verlenen tot plaatsing van [de minderjarige] bij de vader voor de duur van de ondertoezichtstelling eveneens worden afgewezen.

Tot slot overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken leidt de rechtbank af dat [de minderjarige] zich naar omstandigheden goed ontwikkelt bij de grootouders. In dat licht bezien valt de ter zitting gedane opmerking van de GI dat [de minderjarige] bij een afwijzing van het verzoek van 30 oktober 2015 wellicht zal moeten worden geplaatst in een neutraal pleeggezin niet goed te plaatsen. Het KSCD-rapport vermeldt weliswaar dat het ook de grootouders niet lukt om [de minderjarige] buiten de strijd tussen de volwassenen te houden, maar die conclusie heeft het KSCD ook voor de beide ouders getrokken en rechtvaardigt op zichzelf niet opnieuw een wisseling van verblijfplaats van [de minderjarige] . Daarbij komt dat ook de gedragswetenschapper in de ter zitting overgelegde notitie aangeeft dat [de minderjarige] niet gebaat is bij een plaatsing op een neutrale plek.

 

 







Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat op dit moment onvoldoende blijkt dat de vader voldoende geschikt is als opvoeder en dat onvoldoende blijkt dat het perspectief van [de minderjarige] bij de vader ligt. De GI heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de zorgen over de vader niet in de weg staan aan een (definitieve) plaatsing bij de vader. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk is dat het verzoek om toestemming voor wijziging in het verblijf van [de minderjarige] wordt afgewezen.


Ga terug