Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het is van belang dat de ouders in ieder geval de kans krijgen om vanaf de geboorte als ouder op afstand met gezag een band met het kind op te bouwen.

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

6.5.

Uit de toelichting op de onder 6.1. genoemde wettekst volgt dat het mogelijk is om direct een gezagsbeëindiging uit te spreken als duidelijk is dat de ouders hun opvoedings-verantwoordelijkheid niet binnen een aanvaardbare termijn (kunnen) waarmaken en het toekomstperspectief van de opvoedingssituatie van de minderjarige ontbreekt of negatief is. Volgens de Memorie van Toelichting gaat het dan bijvoorbeeld om ouders die al jarenlang verslaafd zijn aan harddrugs en er weinig of geen aanwijzingen voor verbetering zijn. Naar het oordeel van de rechtbank dienen ook beperkingen van ouders, die er de oorzaak van zijn dat de ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen en waarvan in het kader van deze procedure genoegzaam is gebleken, daaronder te worden begrepen.

6.6.

De rechtbank is van oordeel dat uit de rapportage van de raad genoegzaam is gebleken dat het niet in het belang van de ongeborene is dat deze wordt verzorgd en opgevoed in het gezin van ouders. Daarvan kan geen sprake zijn. Ouders hebben beiden hun eigen problematiek, herkennen die niet waardoor acceptatie van hulp door hen een probleem gebleken is. Eenmaal ingezette hulpverlening accepteren ze vervolgens wisselend. Aangezien dit beeld al jaren zichtbaar is vanuit de ondertoezichtstelling van [U] , is er geen verwachting dat hierin binnen een aanvaardbare termijn een verandering zal optreden. In die zin zou het verzoek van de raad tot gezagsbeëindiging in beginsel toewijsbaar zijn.

6.7.

Artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) biedt ouders en kinderen recht op bescherming van hun "family-life", waaronder ook dient te worden begrepen het recht van ouders en kind op verzorging en opvoeding van een kind door de ouders en het ouderlijk gezag. Een inbreuk op het recht tot family-life is slechts gerechtvaardigd indien dit noodzakelijk is, een en ander zoals in artikel 8 lid 2 EVRM is bepaald. De ouders hebben er recht op dat hun belangen op een behoorlijke wijze in de afweging tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel worden betrokken. Op grond van artikel 7 lid 1 IVRK dient een kind in beginsel verzorgd te worden door haar of zijn ouders voor zover mogelijk. Artikel 9 lid 1 IVRK geeft aan dat een kind niet wordt gescheiden van zijn of haar ouders tegen hun wil, tenzij de bevoegde autoriteiten, onder voorbehoud van de mogelijkheden van rechterlijke toetsing, in overeenstemming met het toepasselijke recht en de toepasselijke procedures, beslissen dat deze scheiding noodzakelijk is in het belang van het kind. Een dergelijke beslissing kan noodzakelijk zijn in een bepaald geval, zoals wanneer er sprake is van misbruik of verwaarlozing van het kind door de ouders, doch daarvan is in casu geen sprake. Volgens de Memorie van Toelichting bij de Goedkeuringswet van het IVRK hebben beide bepalingen rechtstreekse werking. Hoewel het de insteek van de raad is dat de ongeborene na de geboorte wordt gescheiden van zijn ouders kan op dit moment niet worden geoordeeld dat de beëindiging van het gezag noodzakelijk is in het belang van de ongeborene. Naar het oordeel van de rechtbank dient, juist met het oog op artikel 8 EVRM, alsmede de artikelen 7 en 9 IVRK telkens te worden gemotiveerd waarom een maatregel wordt genomen en hoe de maatregel zich verhoudt tot andere, mogelijke, maatregelen. De uiteindelijke maatregel dient evenredig te zijn tot de met de maatregel beoogde doelen. Toegepast op de onderhavige zaak betekent dit dat duidelijk moet zijn dat de zwaardere maatregel van beëindiging van het gezag prevaleert boven de minder bezwarende maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval niet gebleken. Reeds daarom moet het verzoek worden afgewezen.

6.8.

Het is van belang dat de ouders in ieder geval de kans krijgen om vanaf de geboorte als ouder op afstand met (naar alle waarschijnlijkheid gedeeld) gezag een band met het kind op te bouwen. Daarnaast kan worden bezien of ouders, los van de dagelijkse verzorging en opvoeding, enige verantwoordelijkheid bij het nemen van beslissingen voor hun kind kunnen dragen en of er op termijn wellicht mogelijkheden zijn in het vrijwillig kader.

7 De beslissing

De rechtbank:

Wijst af het verzoek van de raad.


Ga terug