Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het is bar en boos, maar UHP maakt het misschien erger

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Tegen de achtergrond van dit advies, de vaststelling dat de beperkte emotieregulatie van [minderjarige 1] ook triggers kent die ook buiten de verstoorde ouderrelatie liggen en de sterke afhankelijkheid met betrekking tot de vader, is onvoldoende toegelicht in welk opzicht een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] met een opnieuw een traject tot herstel van het contact met de moeder dan wel succesvol zou kunnen zijn. Temeer niet omdat het Curium-LUMC in november 2019 contra-indicaties zag om op dat moment het traject tot herstel van contact aldaar of elders opnieuw op te starten. De kinderrechter betrekt hierin voorts dat onduidelijk is in hoeverre die contra-indicaties zijn weggenomen. Ook is onduidelijk welke instelling een dergelijk traject op zich zou kunnen nemen en welk – ander – traject dan het Curium-LUMC zij daarbij voor ogen hebben. Weliswaar kan een uithuisplaatsing tot gevolg hebben dat [minderjarige 1] los van zijn vader komt wat er toe kan bij dragen dat zijn beeld van de moeder wordt bijgesteld, maar de verstoorde ouderrelatie blijft bestaan. Het is de vraag of [minderjarige 1] gelet op zijn sociaal-emotionele kwetsbaarheid en meervoudige complexe ontwikkelingstoornis daarmee kan (leren) omgaan.

Dit alles zou kunnen betekenen dat een uithuisplaatsing niet tot het beoogde doel kan leiden terwijl de gevolgen daarvan voor [minderjarige 1] zeer ingrijpend en wellicht onomkeerbaar zijn. Daarom wordt het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen.

Tot slot: de kinderrechter constateert dat binnen dit gezin sprake is van forse ouderproblematiek waarin [minderjarige 1] en zijn broer klem zitten. Alle interventies tot nu toe hebben niet tot verbetering van de situatie voor de kinderen geleid. De kinderrechter kan niet anders dan constateren dat de ouders beiden onmachtig zijn. De vader is bovendien inmiddels zo overtuigd geraakt van het samenspannen van de jeugdbeschermer met de moeder dat er geen enkele samenwerking meer mogelijk is. De kinderrechter geeft de gecertificeerde instelling daarom in overweging om de raad voor de kinderbescherming onderzoek te laten doen en te adviseren naar mogelijke interventies om uit de impasse te komen waarin de ouders en [minderjarige 1] verkeren.


Ga terug