Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Het eerste half jaar mag er nog gesold worden met een uit huis geplaatst kind, daarna moet de rechter wijziging verblijfplaats goed vinden

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

5.2

Ingevolge artikel 1: 265i lid 1 BW behoeft de GI de toestemming van de kinderrechter voor wijziging in het verblijf van een minderjarige die ten minste een half jaar door een ander als de ouder is opgevoed en verzorgd als behorende tot zijn gezin.
Ingevolge lid 2 van dit artikel wordt de toestemming door de kinderrechter op verzoek van de GI verleend en slechts afgewezen indien de kinderrechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk oordeelt.

5.3

Ingevolge artikel 807 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) staat tegen beschikkingen ingevolge de artikelen 257 en 259, alsmede de artikelen 262a, derde lid, 262b, 263, derde lid, 264 en 265, met uitzondering van beschikkingen ingevolge artikel 265f, tweede lid van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, geen andere voorziening open dan cassatie in het belang der wet.
5.4 Het hof is op grond van het vorenstaande met de GI van oordeel dat tegen een beschikking op grond van artikel 1:265i BW geen hoger beroep kan worden ingesteld en dat de pleegmoeder dientengevolge niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep tegen de beschikking van de rechtbank van 23 februari 2015. De pleegmoeder kan worden toegegeven dat de redactie van artikel 807 Rv met betrekking tot de appellabiliteit van beslissingen op grond van de artikelen 1: 265a BW tot en met 1: 265k BW niet consistent is. Uitzondering op de uitsluiting van het hoger beroep van beslissingen op grond van artikel 1: 265f BW heeft alleen betekenis, als onder de vermelding van artikel 1:265 BW in artikel 807 Rv ook de opvolgende artikelen 1:265a e.v. BW worden gelezen. Steun voor deze lezing van
artikel 807 Rv is te vinden in de wetsgeschiedenis (kamerstukken I 2011/2012, 33.061, A-1 III, onderdeel A) waaruit blijkt dat de wetgever voor ogen heeft gehad de beslissing van de rechtbank op het verzoek van de GI tot wijziging van de verblijfplaats van de minderjarige uit te sluiten voor hoger beroep, omdat dit een beslissing is met een ordenend en voorlopig karakter.


Ga terug