Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

GI doet niets: terug naar huis

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de GI sinds de start van de ondertoezichtstelling geen hulpverlening heeft geboden aan het gezin, hoewel dit in juni 2021 wel door de kinderrechter is geïndiceerd. Een uithuisplaatsing is toen afgewezen omdat er eerst geprobeerd moest worden om de uithuisplaatsing af te wenden door hulpverlening in de thuissituatie in te zetten. De moeder en (stief)vader hebben verklaard dat zij open staan voor hulp en daar naarstig naar op zoek zijn en met regelmaat bij de GI vergeefs aan de bel hebben getrokken. De GI heeft deze hulp nimmer geboden en verwijst voor de onderbouwing van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige B] en [minderjarige A] louter naar situaties van vóór de ondertoezichtstelling of van de afgelopen paar weken. De GI heeft op 8 juni 2021 van de kinderrechter de opdracht gekregen om hulp in te zetten in de thuissituatie om de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige B] en [minderjarige A] weg te nemen. De GI heeft deze taak niet naar behoren vervuld. De kinderrechter is nog steeds van mening dat onvoldoende is ingezet op hulpverlening vanuit de thuissituatie om een uithuisplaatsing af te wenden. De kinderrechter is nog steeds van mening dat dit eerst moet worden geprobeerd voordat de kinderen uit huis worden geplaatst.

De kinderrechter is van oordeel dat de beschikking van 23 december 2021, gezien de informatie die toen beschikbaar was, op goede gronden is genomen, maar bepaalt dat op basis van de thans beschikbare informatie de uithuisplaatsing met ingang van 4 januari 2022 eindigt en dat de kinderen dezelfde dag nog terug naar huis zullen gaan.


Ga terug