Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

GI bakt er niets van, krijgt niet haar zin (kind terug naar huis)

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De beoordeling

Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat er de afgelopen tijd veel ontwikkelingen hebben plaatsgevonden rond [naam kind]. Uit het onderzoek door de Raad naar het perspectief van [naam kind] is gebleken dat de moeder profiteert van de ingezette hulpverlening; de Raad zag nog mogelijkheden voor een (gedeeltelijke) terugplaatsing van [naam kind] bij de moeder. Vervolgens is [naam kind] voor de helft van de tijd bij de moeder gaan wonen en verbleef hij nog de helft van de tijd bij de pleegouders. Vervolgens heeft de GI zeer kort voor de mondelinge behandeling, te weten op 18 januari 2022, het besluit genomen om de machtiging tot uithuisplaatsing te beëindigen. Ter zitting is gebleken dat de GI hiertoe ten onrechte niet de weg van artikel 1:265i BW heeft gevolgd. Deze wettelijke bepaling houdt in dat de GI toestemming nodig heeft van de kinderrechter voor een wijziging in het verblijf van een pleegkind, indien dat kind in het kader van een ondertoezichtstelling in een pleeggezin is geplaatst en het minimaal een jaar in dat pleeggezin is verzorgd en opgevoed. Hierbij maakt het niet uit of de pleegouders wel of niet instemmen met de wijziging in het verblijf.

De GI heeft recent in het kader van artikel 1:265j BW melding gedaan bij de Raad van haar voornemen om [naam kind] volledig bij de moeder terug te plaatsen. Een reactie van de Raad is nog niet verkregen.

Ter zitting is voorts gebleken dat de pleegouders met een aantal zaken niet kunnen instemmen. Ook hebben zij zich onvoldoende kunnen voorbereiden omdat zij kort voorafgaand aan de zitting pas kennis hebben kunnen nemen van de stukken. Tot slot waren de pleegouders er niet van op de hoogte dat de GI toestemming van de kinderrechter moet krijgen voor de terugplaatsing van [naam kind] bij de moeder.

Gezien al het voorgaande, hebben de GI en de belanghebbenden zich op de situatie beraden en zijn tot de conclusie gekomen dat het aan de GI is om er alsnog voor te zorgen dat de wettelijke regelingen in acht worden genomen. Zolang dat niet is gebeurd, mag [naam kind] niet volledig bij de moeder geplaatst worden. De GI en de belanghebbenden hebben ter zitting laten weten dat zij zich er in afwachting van de verdere stappen van de GI in kunnen vinden dat de huidige 50/50-regeling voorlopig in stand blijft.

Uit het voorgaande volgt dat de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [naam kind], zoals oorspronkelijk verzocht door de GI, op dit moment nog noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding.

De GI wordt verzocht om een week vóór de hierna vermelde zittingsdatum te rapporteren (met afschrift aan de moeder en mr. Van der Stel) over de actuele stand van zaken, de uitkomsten van de toetsing van de Raad en de verdere processuele wensen.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [naam kind] tot 27 juni 2022;


Ga terug