Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Gezag wordt niet beëindigd

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

[voornaam minderjarige] is ruim 15 jaar oud en zeer stellig in haar mening dat zij wenst dat het gezag van de moeder in stand blijft. [voornaam minderjarige] is bang dat zij anders helemaal geen contact meer kan hebben met haar ouders. Voor haar speelt daarbij een rol dat zij als enige van de drie kinderen van de ouders uit huis is geplaatst. Hiermee heeft zij al een uitzonderingspositie; indien moeders gezag wordt beëindigd wordt deze uitzonderingspositie versterkt. Het is voor [voornaam minderjarige] een belangrijke gevoelsmatige kwestie. Zij verzet zich ertegen dat de GI alle beslissingen over haar gaat nemen; zij wil dat haar moeder dat zal blijven doen.

[voornaam minderjarige] woont inmiddels 7 jaren niet meer thuis. Zij en haar ouders hebben aangegeven dat zij niet goed begrijpen dat juist nu het verzoek tot beëindiging van het gezag van de moeder wordt gedaan, mede omdat recent de ondertoezichtstelling van de twee thuiswonende kinderen niet meer nodig werd geacht.

Uit artikel 1:266, eerste lid, BW volgt dat de rechtbank het gezag van een ouder kan beëindigen, indien aan de voorwaarden wordt voldaan. De rechtbank is hiertoe niet gehouden. Los van de vraag of aan de voorwaarden voor een gezagsbeëindiging van de moeder is voldaan, is de rechtbank van oordeel dat gezien de leeftijd van [voornaam minderjarige] haar mening zwaar moet meewegen in de te nemen beslissing. [voornaam minderjarige] heeft veel meegemaakt in haar leven, heeft veel verlieservaringen gekend en is zeer stelling in haar mening dat zij wenst dat haar moeder het gezag over haar behoudt. Over tweeëneenhalf jaar zal [voornaam minderjarige] meerderjarig zijn en zelf haar beslissingen kunnen nemen. Al zeven jaar lang woont zij niet meer thuis, deels middels kinderbeschermende maatregelen, deels via het vrijwillige kader. De rechtbank is van oordeel dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] geen (extra) gevaar loopt indien de huidige situatie gehandhaafd blijft, waarbij zij langdurig bij Pluryn woont, omgang heeft met de ouders en haar broer en zus en waarbij de GI de ondertoezichtstelling uitvoert om als neutrale derde de situatie te monitoren. Er zijn geen zorgen over de medewerking van de ouders aan het beleid van Pluryn en de GI ten aanzien van [voornaam minderjarige] . De kans dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] in gevaar komt door een gezagsbeëindiging van de moeder tegen de stellige wens van [voornaam minderjarige] in, is daarentegen reëel. Het zal voor [voornaam minderjarige] als de zoveelste verlieservaring in haar leven voelen. De rechtbank is daarom van oordeel dat beëindiging van het gezag van de moeder niet in het belang van [voornaam minderjarige] is en de rechtbank zal het verzoek daarom afwijzen.

T.a.v. zaaknummer C/10/575384 / JE RK 19-1756:

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium genoemd in artikel 1:255 BW en 1:256c, tweede lid, BW. De rechtbank zal daarom de – niet weersproken – verzoeken tot verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] toewijzen voor de nog resterende duur.

De beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder;

verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 16 augustus 2020;

verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 16 augustus 2020;


Ga terug