Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Geen zicht op terugplaatsing niet altijd reden voor einde gezag

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>
3.7.4.

Het hof acht het enkele feit dat er geen perspectief op thuisplaatsing bij de moeder is in dit geval onvoldoende om tot een gezagsbeëindiging te komen. Het hof is van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich momenteel zelfs verzet tegen die beëindiging, gelet op het volgende.

3.7.5.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat [minderjarige] al geruime tijd duidelijkheid heeft in die zin dat hij weet dat zijn perspectief niet bij de moeder ligt. Dit is reeds in de loop van 2015 bepaald. De moeder doet geen afbreuk aan de voor [minderjarige] gewenste duidelijkheid en zekerheid. In het licht hiervan brengt jaarlijkse verlenging van beide kinderbeschermingsmaatregelen niet een ernstige mate van onzekerheid en onduidelijkheid voor [minderjarige] met zich.

3.7.6.

In de periode van 4 augustus 2017 tot 28 mei 2018 was er geen kinderbeschermings"“maatregel van kracht en verbleef [minderjarige] op vrijwillige basis, met instemming van de moeder, bij de familie [voormalige pleegouders] . In die tijd ging het erg slecht met [minderjarige] . [instelling 3] constateert in de brief van 19 april 2018 dat vier maanden ambulante psychotherapie (eenmaal per week één uur) onvoldoende is geweest om een positieve ontwikkeling te bewerkstelligen en dat de fysieke en emotionele toestand van [minderjarige] juist is verslechterd. De betrokken pleegzorgwerker, de heer [pleegzorgwerker] , heeft bij de rechtbank (zitting van 28 mei 2018) verklaard dat [minderjarige] steeds zieker werd, zijn eetstoornis hardnekkiger en dat er bij [minderjarige] sprake was van een pathologische en stagnerende ontwikkeling die levensbedreigend was. De moeder maakte zich in deze periode "“ terecht"“ veel zorgen om [minderjarige] en zij kon zich niet wenden tot een gezinsvoogd om haar zorgen bespreekbaar te maken: er was immers geen ondertoezichtstelling meer. Het hof is van oordeel dat de moeder op dat moment, vanuit haar gezagdragende rol, een verantwoorde beslissing heeft genomen door de plaatsing bij de familie [voormalige pleegouders] ter discussie te stellen. Dankzij de interventie van de moeder verblijft [minderjarige] sinds september 2018 op een voor hem betere plek waar hij zowel op emotioneel als op fysiek gebied tot een gezonde ontwikkeling is gekomen. Binnen één week tijd kwam [minderjarige] vijf kilo aan. Hij verblijft nu op een neutrale plek die hem rust geeft en waar hij zichtbaar meer levensvreugde uitstraalt dan voorheen. Het hof is van oordeel dat [minderjarige] veel baat heeft gehad bij deze overplaatsing, in ieder geval op de lange termijn bezien. Dat [minderjarige] door het één en ander ook emotioneel werd belast en zich tijdelijk onder druk gezet voelde, is betreurenswaardig, maar kennelijk onvermijdelijk geweest. Het hof wil de moeder niet verantwoordelijk stellen voor de emotionele problemen en de eventuele toename van een loyaliteitsconflict bij [minderjarige] doordat de moeder op grond van ernstige en terechte zorgen in 2018 de plaatsing bij de familie [voormalige pleegouders] ter discussie stelde. Binnen de mogelijkheden die de moeder toen had, heeft zij met het oog op de belangen van [minderjarige] adequaat en met resultaat opgetreden.

3.7.7.

Het hof onderschrijft het belang voor [minderjarige] bij duidelijkheid over zijn opgroeiperspectief, maar acht beëindiging van het gezag van de moeder daartoe thans niet noodzakelijk. Het hof is van oordeel dat in het geval van [minderjarige] op dit moment kan worden volstaan met een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing. Daarbij neemt het hof in overweging dat het nu, in tegenstelling tot het moment waarop de raad het inleidend verzoek deed, goed gaat met [minderjarige] . Het hof acht verder van belang dat de moeder volledig achter de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing staat, ze heeft er tenslotte zelf om verzocht, en dat de moeder niet de intentie heeft om zelf de opvoeding en verzorging van [minderjarige] op zich te nemen: haar duurzame bereidheid komt het hof oprecht voor. Gezien de meewerkende houding van de moeder, verwacht het hof dat haar instemming met de voorgenomen plaatsing in het gezinshuis voor de toekomst duurzaam zal zijn. De moeder heeft immers ook in het verleden haar medewerking verleend aan plaatsing van [minderjarige] bij de familie [voormalige pleegouders] in 2015 en recent aan zowel de plaatsing én de overplaatsing van [minderjarige] binnen de GGZ-instellingen. De komende tijd zal blijken of de moeder het aankan om vanuit deze situatie haar ouderlijke verantwoordelijkheden te blijven uitoefenen en zich positief in te zetten.

3.7.8.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat het belang van [minderjarige] zich verzet tegen een gezagsbeëindigende maatregel ten aanzien van de moeder. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] is beëindigd en zal het inleidend verzoek van de raad alsnog afwijzen, waardoor het ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] zal worden hersteld. Tot slot zal het hof de in hoger beroep herhaalde verzoeken van de moeder tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] en verlening van een machtiging tot uithuisplaatsing toewijzen met ingang van 21 maart 2019 tot 21 maart 2020. Aan de wettelijke vereisten daartoe is voldaan.


Ga terug