Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Geen gezagsbeëindiging, toewerken naar terug naar huis

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

2.5

Uit het rapport forensisch psychologisch onderzoek van 25 maart 2020 (verder: het rapport) blijkt onder meer het volgende. Drs. [E] (verder: de onderzoeker) concludeert dat bij [de minderjarige] geen sprake is van een reactieve hechtingsstoornis. Wel heeft hij gedragsproblemen (ADHD) en traumatische jeugdervaringen. De situatie bij de moeder is niet meer onveilig. De moeder is de enige continue figuur gebleken in het leven van [de minderjarige] . De moeder is trouw bij hem op bezoek gekomen alle jaren door. De moeder is bereid en gemotiveerd om een actieve rol te spelen in het leven van [de minderjarige] en zij wil zich inzetten om een thuis voor [de minderjarige] te zijn. De onderzoeker adviseert om vanuit het (professionele) gezinshuis waar [de minderjarige] thans verblijft een proces van thuisplaatsing te starten. Dit dient stapsgewijs en geleidelijk te verlopen. De onderzoeker stelt voorwaarden voor het toewerken naar een plaatsing thuis. Zij adviseert in het verlengde van die voorwaarden dat er geen gezagsbeëindigende maatregel komt en dat de moeder het gezag over [de minderjarige] houdt.

2.6

In voornoemde brief van 29 april 2020 stelt de raad dat hij geen reden heeft anders te concluderen dan het rapport, hetgeen maakt dat niet langer gesteld kan worden dat de moeder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en ontwikkeling van [de minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn. De raad concludeert dat niet wordt voldaan aan de gronden van artikel 1:266 BW. De raad verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad alsnog af te wijzen. De raad heeft dit verzoek ter mondelinge behandeling herhaald.

2.7

Het hof onderschrijft voornoemd advies in het rapport voor zover hier van belang, namelijk dat de moeder het gezag over [de minderjarige] dient te houden en neemt dit, na eigen onderzoek, over. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat ook de GI ter mondelinge behandeling heeft verklaard zich te kunnen vinden in de conclusies omtrent het gezag. In dat verband heeft de GI toegelicht dat de kinderrechter bij beschikking van 25 augustus 2020 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] heeft verlengd voor de duur van een jaar en de uithuisplaatsing van [de minderjarige] heeft verlengd voor de duur van slechts een half jaar. De GI is, in samenspraak met de moeder en de gezinshuisouders, bezig met het maken van een gedegen plan voor een gefaseerde terugplaatsing van [de minderjarige] bij de moeder.

Het hof stelt vast dat niet wordt voldaan aan de gronden voor gezagsbeëindiging zoals opgesomd in artikel 1: 266 BW, zodat het oorspronkelijk inleidend verzoek van de raad dient te worden afgewezen.

3De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

4De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 19 november 2018, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de moeder over [de minderjarige] en de benoeming van de GI tot voogd alsnog af.


Ga terug