Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Geen beëindiging gezag maar uithuisplaatsing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Gelet op het bepaalde in de artikelen 3 en 20 van het Verdrag inzake de rechten van het kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en op duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.4

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.5

Anders dan de rechtbank, de raad en de GI is het hof van oordeel dat niet aan de gronden voor een beëindiging van het gezag van de moeder is voldaan en dat het verzoek van de raad dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe het volgende.

Uit de stukken, waaronder het rapport van de raad, is het volgende gebleken. Het gezin: de ouders, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , verblijft sinds juni 2019 in Nederland. De kinderen hebben in het verleden meerdere ingrijpende en mogelijk traumatische gebeurtenissen meegemaakt. Het gezin is bij de hulpverlening in beeld gekomen nadat de moeder in verband met ernstige psychiatrische problematiek in het kader van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg werd opgenomen. Toen bleek dat sprake was van een voor de kinderen zeer onstabiele en onrustige thuissituatie. Hulpverlening wordt door de ouders niet of nauwelijks geaccepteerd en de GI krijgt slecht toegang tot het gezin.

...

...

5.6

De kinderen worden belast met zaken waarmee zij niet moeten worden belast. Zij zijn getuige geweest van hevige ruzies tussen de vader en de moeder waarbij de moeder de vader ook verbaal en fysiek heeft mishandeld. De moeder gaat ook zo ver dat zij de kinderen medische zorg heeft ontzegd of geweigerd heeft een voor zorg of hulpverlening noodzakelijke handtekening te zetten.

[de minderjarige1] bevindt zich in een lastige positie tussen haar moeder en alle andere volwassenen. Zij voelt zich te verantwoordelijk voor een positieve ontwikkeling van [de minderjarige2] en tegelijk ook voor haar moeders welzijn. Dit zorgt voor loyaliteitsconflicten. ...

Bij [de minderjarige2] zijn er zorgen over haar sociaal-emotioneel functioneren. [de minderjarige2] laat kenmerken van hechtingsproblematiek zien. Zij is niet gewend om duidelijke kaders te krijgen en weet weinig van zelfverzorging.

[de minderjarige2] en [de minderjarige1] worden ernstig in hun ontwikkeling bedreigd door de complexe verhoudingen binnen het gezin. De grootste zorg betreft het gebrek aan ruimte voor emotionele zelfontplooiing, het gebrek aan toezicht buitenshuis en de wijze waarop de kinderen overgeleverd zijn aan zichzelf. Hun identiteitsontwikkeling staat hierdoor ernstig onder druk.

5.7

Inmiddels is gebleken dat aan voormelde crisissituatie goeddeels een einde is gekomen. De moeder is, na ontslagen te zijn uit de instelling, weer thuis en de vader is na zijn terugkeer uit Spanje ook weer thuis.

Inmiddels heeft [de minderjarige1] zich de Nederlandse taal goed eigen gemaakt waardoor zij nu, naast Engels en Spaans, vloeiend Nederlands spreekt zoals het hof bij het kindgesprek heeft geconstateerd. Zij woont op kamers in [F] (of gaat dat binnenkort doen) en volgt aan het ROC [G] een opleiding tot assistent manager internationale handel.

Ook de jeugdzorgwerker heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het met [de minderjarige1] goed lijkt te gaan. [de minderjarige1] heeft een dag online les en de rest van de dagen reist zij naar [G] .

[H] is betrokken bij [de minderjarige1] op praktisch gebied.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat met betrekking tot [de minderjarige1] geen sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging. Daar komt bij dat [de minderjarige1] over vier maanden meerderjarig zal worden waardoor een gezagsbeëindigende maatregel geen toegevoegde waarde (meer) is.

5.8

Ook met betrekking tot [de minderjarige2] is het hof van oordeel dat niet aan de gronden voor een beëindiging van het gezag is voldaan. De jeugdzorgwerker heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat het goed gaat met [de minderjarige2] in het pleeggezin. [de minderjarige2] heeft tijdens haar verblijf daar vooruitgang laten zien.

...

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat bij [de minderjarige2] wel sprake is van een ontwikkelingsbedreiging, maar dat aannemelijk is dat met een minder verstrekkende maatregel als een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing kan worden volstaan. Met name is niet komen vast te staan dat de moeder niet in staat is de opvoedingsverantwoordelijkheid weer op zich te nemen binnen een voor [de minderjarige2] aanvaardbare termijn.

5.9

Op het moment dat de crisissituatie speelde was er voldoende reden voor een uithuisplaatsing van [de minderjarige2] . Daarin is verandering gekomen: de vader en de moeder zijn weer thuis maar het is onduidelijk of sprake is van een bestendige situatie. Dat moet in het kader van een ondertoezichtstelling in beeld worden gebracht. De raad heeft subsidiair verzocht om, indien het hof van oordeel zou zijn dat beëindigende van het gezag een te ver strekkende maatregel is, een ondertoezichtstelling uit te spreken en een machtiging uithuisplaatsing af te geven. De advocaat van de moeder heeft ter mondelinge behandeling verzocht om de beslissing het gezag te beëindigen te vernietigen en zo nodig alleen een ondertoezichtstelling over [de minderjarige2] uit te spreken. Gelet op het vorenstaande zal het hof het subsidiaire verzoek van de raad [de minderjarige2] onder toezicht te stellen van de GI toewijzen.

Het hof zal eveneens de GI machtigen [de minderjarige2] uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin nu op dit moment nog ongewis is of de moeder in staat is [de minderjarige2] te verzorgen en op te voeden. In het kader van de ondertoezichtstelling moet verder worden onderzocht of - en zo ja: wanneer - de moeder daartoe wel weer in staat zal zijn.

5.10

Het hof zal de verzoeken van de raad de moeder gedeeltelijk te schorsen in de uitoefening van het gezag voor zover het betreft het geven van toestemming voor de aanmelding bij onderwijs voor [de minderjarige1] en [de minderjarige2] en het doen van een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning ( [de minderjarige1] ) en het geven voor een medische behandeling ( [de minderjarige2] ) af wijzen nu voor de noodzaak daarvoor onvoldoende is gebleken.

6De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als hierna zal worden vermeld.

7De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 24 juli 2020, en opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] alsnog af;

stelt [de minderjarige2] , geboren [in] 2009, met ingang van heden voor de duur van zes maanden onder toezicht van Stichting Leger des Heils te Enschede,

machtigt Stichting Leger des Heils te Enschede om [de minderjarige2] , geboren [in] 2009, met ingang van heden voor de duur van de ondertoezichtstelling uit huis te plaatsen in een netwerkpleeggezin;


Ga terug