Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Factoren die volgens de wetgever van belang zijn bij de afweging m.b.t. een gezagsbeëindigende maatregel

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het hof overweegt dat bij een beslissing als de onderhavige het belang van het kind voorop dient te staan, mede gelet op artikel 3 van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). De in artikel 1:266 lid 1 onderdeel a BW vermelde grond voor gezagsbeëindiging is voorts afgestemd op de grond voor gezagsbeperking in artikel 1:255 lid 1 BW (ondertoezichtstelling) in die zin dat gezagsbeperking slechts dan gerechtvaardigd is indien de verwachting bestaat dat de ouder in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige weer te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn. Wanneer duidelijk is dat de ouder daartoe niet in staat zal zijn, kan de rechter het gezag van de ouder beëindigen. Volgens de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2008/2009, 32 015, nr. 3, p. 9) zal het naar mate de als tijdelijk bedoelde maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing langer duren, steeds lastiger worden te motiveren waarom de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouder binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding (weer) kan dragen. Het laten voortduren van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zonder perspectief op terugplaatsing bij de ouder, verdraagt zich daarmee dus in beginsel niet.

5.6

Volgens de voormelde Memorie van Toelichting (p. 34) is bij de maatregel tot gezagsbeëindiging, net als bij die van de ondertoezichtstelling, het ijkpunt voor het bepalen van de aanvaardbare termijn voor een kind, de periode van onzekerheid over de vraag in welk gezin hij verder zal opgroeien die het kind kan overbruggen zonder verdergaand ernstige schade op te lopen voor zijn ontwikkeling. Wat voor een minderjarige een redelijke termijn is, is afhankelijk van zijn leeftijd en ontwikkeling. Factoren die volgens de wetgever van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindigende maatregel is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst zijn onder meer:

a. het kind moet zich indien mogelijk volledig en harmonieus in het pleeggezin kunnen ontwikkelen. Met het oog hierop, in het bijzonder wanneer het op zeer jeugdige leeftijd in een perspectief biedend pleeggezin is geplaatst, dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind;

b. als thuisplaatsing niet meer tot de mogelijkheden behoort, blijft bij een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onzekerheid over het opvoedingsperspectief voortduren. Verlenging over een reeks van jaren is daarom in beginsel geen juiste maatregel;

c. in laatstgenoemde gevallen dient aan het belang van het kind bij continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

d. de enkele bereidheid van de ouder met gezag zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind mag niet doorslaggevend zijn bij de beoordeling van het verzoek tot beëindiging van het gezag.

5.7

Het is het hof gebleken dat [de minderjarige] inmiddels meer dan vier jaar in het gezin van de pleegouders woont en dat hij zich daar positief ontwikkelt, naar het zich laat aanzien mede dankzij de steun die de moeder steeds heeft verleend aan zijn plaatsing aldaar. Het hof vindt het positief dat de moeder haar steun heeft gegeven aan die plaatsing en dat de contacten tussen de pleegouders en de moeder, alsmede tussen de moeder en de (gezins)voogd, door alle betrokkenen als positief en constructief worden ervaren. De moeder toont daarmee dat zij het beste voor heeft met [de minderjarige]  en veel van hem houdt, hetgeen door de raad ter zitting ook is opgemerkt. Het hof wil voorts aannemen, gelet op hetgeen in deze procedure door betrokkenen over en weer is aangevoerd, dat de moeder haar gezag nooit bewust ten nadele van [de minderjarige]  heeft gebruikt.

5.8

Aan de andere kant staat ook vast dat er geen zicht is op terugkeer van [de minderjarige] naar de moeder en dat [de minderjarige]  een kwetsbare jongen is met bijzondere opvoedingsbehoeften. Met name heeft [de minderjarige]  meer dan gemiddeld behoefte aan structuur en begrenzing. Een en ander vergt van zijn opvoeders/verzorgers meer dan gemiddelde opvoedvaardigheden. Het lijkt erop dat de pleegouders in staat zijn om aan die bijzondere opvoedingsbehoeften van[de minderjarige]  te voldoen. [de minderjarige]  ontwikkelt zich daar goed en is zich aan het hechten in het pleeggezin. Het hof kan de raad volgen in zijn standpunt dat verstoring van dit hechtingsproces en verstoring van de positieve ontwikkeling van [de minderjarige]  zoveel mogelijk moet worden vermeden en dat de onderhavige maatregel daaraan bijdraagt. De maatregel van gezagsbeëindiging maakt immers een eind aan de onzekerheid omtrent de verblijfssituatie van [de minderjarige] , al was het alleen maar omdat de jaarlijkse verlengingen van de maatregelen van ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing dan niet meer nodig zijn. Dat is naar het oordeel van het hof in het belang van de (wederzijdse) hechting in het pleeggezin en daarmee in het ontwikkelingsbelang van [de minderjarige]  .

5.9

Voor het hof weegt het belang van [de minderjarige] bij zekerheid en continuïteit van de opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces zwaarder dan het belang van de moeder bij behoud van het gezag. De moeder heeft in dit verband toegelicht dat zij bang is door de maatregel minder betrokken te raken bij [de minderjarige]. Het hof overweegt dat de raad en de voogd ter zitting van het hof hebben verklaard dat zulks zeker niet de bedoeling van de maatregel is en dat  het juist in het belang van [de minderjarige]  is dat de moeder bij hem betrokken blijft. Desgevraagd heeft de moeder ter zitting van het hof ook verklaard dat het contact met [de minderjarige]  hetzelfde is gebleven sinds de bestreden beschikking en dat het contact met de voogd ook goed is. Het hof gaat ervan uit dat de voogd zich ervoor in zal blijven spannen om waar mogelijk de moeder betrokken te laten blijven in het leven van [de minderjarige]

.5.10

Het voorgaande betekent dat het hof evenals de rechtbank van oordeel is dat het gezag van de moeder over [de minderjarige] dient te worden beëindigd.


Ga terug