Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Een ouder is gewoon een ouder tot bewezen is dat hij/zij "het niet kan"

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het is van belang eerst het uitgangspunt in deze zaak vast te stellen, het wettelijk kader. Het verzoek van de overlevende ouder om met het gezag te worden belast – hier vader - wordt alleen afgewezen, als de rechter oordeelt dat het belang van de kinderen zich daartegen verzet. De wet gaat er vanuit – en dat is ook de maatschappelijke opvatting – dat iedere ouder in beginsel geschikt is voor het ouderschap en het gezag over zijn of haar kinderen heeft of kan krijgen. Er zijn – gezien vanuit pedagogische optiek - zeer goede ouders, er zijn redelijke ouders en er zijn matige ouders. Allemaal zijn zij liefhebbende ouders en krijgen zij het gezag en zijn zij belast met de verzorging en opvoeding van hun kinderen en veelal – ook bij de matige ouders – zonder enige betrokkenheid van jeugdbescherming. Elders leidt erkenning van een kind ook automatisch van rechtswege tot gezag. In Nederland is dat nog niet zo, maar er is een maatschappelijke roep om dat wel te regelen en er is een wetsvoorstel aanhangig.

Waarom heeft de wetgever dan toch een ontsnappingsclausule open gelaten: ‘tenzij het belang van het kind zich daartegen verzet’? Dit blijkt uit de rechtspraak en de literatuur. De situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen dat de overlevende ouder eerder juist expliciet bij rechterlijke beslissing het gezag was ontnomen. Dan ligt het niet voor de hand dit gezag bij overlijden van de gezagsouder automatisch te laten herleven. Het kan ook zo zijn dat de overlevende ouder al 10 jaar of meer volkomen buiten beeld is of een zodanige leef- en gezinssituatie heeft dat de kinderen zich daar nooit zullen kunnen aanpassen. Buiten deze tamelijk extreme situaties is het uitgangspunt simpel: de overlevende ouder neemt het gezag en daarmee de verzorging en opvoeding over van de overleden ouder. Dat is waarschijnlijk vaak een heftig en traumatisch gebeuren en de rechtbank gaat er vanuit dat veel overlevende ouders daarbij hulp nodig hebben. In het kader van die hulp kan het eventueel nodig zijn dat de kinderen onder toezicht worden gesteld of zelfs een korte tijd uit huis verblijven, maar altijd op basis van het beginsel dat de overlevende ouder de verzorging overneemt, tenzij dat expliciet tegen het belang van de kinderen is.

Niet alleen van de rechtbank, maar ook van de Raad en de jeugdbescherming mag worden verwacht dat zij dit wettelijke uitgangspunt onderschrijven en hanteren. Dat is echter in deze zaak niet het geval geweest. Ook nu nog in het laatste rapport zit de Raad op de lijn dat onderzocht moet worden – kort gezegd – of vader het wel kan. Voor vader geldt in deze zaak echter wat geldt voor alle ouders in Nederland: hij hoeft geen examen te doen bij de Raad, bij de GI of bij de rechtbank om aan te tonen dat hij het wel kan. Het is omgekeerd: alleen als met kracht van de nodige argumenten kan worden betoogd dat deze vader het – kort gezegd – niet kan, is er reden om hem in afwijking van het uitgangspunt niet met het gezag en de verzorging en opvoeding te belasten.

De GI heeft het wettelijk uitgangspunt in zekere zin wel onderschreven, maar komt in ieder geval tot nu toe tot de conclusie dat het in deze zaak tegen het belang van de kinderen is om vader met het gezag te belasten. Aanvankelijk werd daarvoor als reden aangevoerd de conflictueuze relatie met de familie van de moeder. In de latere rapportage en het standpunt ter zitting gaat het steeds om 5 punten:

• Vader is er in het verleden niet in geslaagd een veilige situatie voor de kinderen te scheppen; zij zijn geconfronteerd met ruzies tussen de ouders en vader heeft dat niet weten te voorkomen;

• er zijn meerdere suïcidepogingen geweest, maar vader heeft geen stappen gezet om de kinderen bij moeder weg te halen;

vader heeft niet voorkomen dat moeder zwanger werd van [minderjarige 1] , hoewel er een geschiedenis van suïcidepogingen was en

• de kinderen – speciaal [minderjarige 2] – hebben een heel moeilijke fase achter de rug en hebben behoefte aan snelle en stevige hechting in een gewoon gezin; vader kan dat niet bieden;

• vader kan niet aansluiten bij de behoefte van [minderjarige 2] en heeft meer aandacht voor [minderjarige 1] .

Deze argumenten snijden geen hout. Medio april heeft de GI in overleg met de familie van moeder en de politie gekozen voor een pleeggezin. Blijkens het rapport van de Raad van juli is dit zelfs niet met vader overlegd. Later is gebleken dat vraagtekens kunnen worden geplaatst bij de rol van de familie van moeder. [minderjarige 2] is panisch voor oma die haar ook geslagen heeft. Het oordeel van de GI over de latrelatie tussen de beide ouders is op niets gebaseerd. We weten dat er regelmatig politiecontacten zijn geweest die nooit – in de richting van de vader – tot enige beschuldiging van een strafbaar feit hebben geleid. We weten weinig over de psychische gesteldheid van de moeder en over hoe het was om een relatie met haar te onderhouden en welke rol zij daarin speelde. De gedachte dat vader zou moeten worden verweten dat de kinderen met ruzies zijn geconfronteerd is nergens op gebaseerd. Dit geldt ook voor het feit dat juist vader stappen had behoren te zetten om de kinderen bij moeder weg te halen. Alle betrokken instanties hebben geen stappen gezet, de familie van moeder heeft geen stappen gezet. Onduidelijk blijft waarom nu juist vader hiervan een verwijt moet worden gemaakt. De gedachte dat vader had moet voorkomen dat moeder zwanger werd getuigt van weinig realiteitszin....

Het kan niet anders of vader zal worden belast met het gezag. Het enige belang van de kinderen dat zich daartegen zou kunnen verzetten is dat zij het nu inmiddels 10 maanden naar hun zin hebben in het pleeggezin en daar gewend zijn. Dat kan echter niet doorslaggevend zijn. De kinderen moeten de rest van hun leven al verder met het feit dat hun moeder zich van het leven heeft beroofd. Het is voor de rechtbank ondenkbaar dat de kinderen nu ook van hun vader worden beroofd op basis van – naar nu moet worden geconstateerd - foutief beleid van de GI gevolgd door ‘maar ja, ze zijn er nu aan gewend geraakt’. Wat moet er later tegen deze kinderen worden gezegd, als zij vragen waarom zij niet bij hun vader mochten opgroeien? ‘Nou ja, daar was eigenlijk nooit een goede reden voor, dat is maar gewoon een beetje zo gelopen’? De rechtbank laat dan nog buiten beschouwing dat dit onrecht ook voor de vader onverteerbaar zou zijn.


Ga terug