Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Een kind heeft recht op contact met zijn ouders

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. Dit recht wordt, wat betreft de niet met het gezag belaste ouder en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat, gewaarborgd door artikel 8 EVRM en artikel 1:377a lid 1 BW en, wat het kind aangaat, niet alleen door die laatstgenoemde bepaling, maar ook door artikel 9 lid 3 IVRK en artikel 24 lid 3 Handvest van de grondrechten van de EU.

5.9

De voogd heeft bij schriftelijke aanwijzing van 16 december 2014 een bezoekregeling tussen [kind 1] en zijn ouders bepaald over de periode van 25 december 2014 tot en met 11 juni 2015, inhoudende dat [kind 1] eenmaal per vier weken twee uur bij zijn ouders op bezoek komt. Nu de GI geconcretiseerd heeft aangeduid aan welke punten eerst moet worden gewerkt alvorens kan worden overgegaan tot uitbreiding van de bezoekregeling, ziet het hof geen aanleiding om de huidige regeling te veranderen. De goede verstandhouding met de begeleiders en pleegouders moet verder stabiliseren en de ouders moeten kunnen uitdragen naar [kind 1] dat hij bij zijn pleegouders blijft wonen. Hoewel de bezoekregeling vanzelfsprekend en onvermijdelijk een effect op [kind 1] zal hebben, dienen de spanningen rondom de omgang geen duidelijk merkbare negatieve gedragsveranderingen tot gevolg te hebben. Nu het opbouwen en onderhouden van een band met de ouders in zijn algemeenheid in het belang van een kind is en in de onderhavige situatie niet gebleken is dat dat anders ligt, gaat het hof er vanuit dat de GI, zodra dat mogelijk is, zal overgaan tot verder opbouw en uitbreiding van de omgang. De GI beschikt op dit vlak over de benodigde expertise. Het verzoek van de vader tot uitbreiding van de omgang dient voor nu te worden afgewezen.


Ga terug