Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Dit was geen schriftelijke aanwijzing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De kinderrechter ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of de GI het contact tussen de vader en [minderjarige] op deze manier had mogen beperken. Deze vraag wordt door de kinderrechter ontkennend beantwoord en daartoe wordt het volgende overwogen.

De rechtbank Breda heeft bij beschikking van 21 juli 2020 een zorgregeling vastgelegd.

Uit jurisprudentie van de Hoge Raad (van 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321) blijkt dat de GI bij een vastgelegde zorgregeling de contacten tussen de met het gezag belaste ouder en het kind enkel kan beperken middels een verzoek aan de kinderrechter op grond van artikel 1:265g BW. Ook als tijdelijke maatregel mag een door de rechter vastgestelde zorgregeling niet worden gewijzigd; in alle gevallend dient de GI de weg van artikel 1:265g BW te bewandelen. De kinderrechter kan zich voorstellen dat de GI in het onderhavige geval, gelet op de ernstige zorgen, snel wilde ingrijpen en met weinig informatie voorhanden heeft moeten handelen. Dit neemt niet weg dat zij hiervoor toestemming van de kinderrechter nodig had. Zij had, om snel een beslissing te verkrijgen, een spoedverzoek ex artikel 223 Rechtsvordering (hierna: Rv) bij de kinderrechter kunnen indienen met daarbij een verzoek ex artikel 1:265g BW. Hiermee heeft de kinderrechter de mogelijkheid een voorlopige voorziening te treffen voor de duur van het geding, dus tot de zaak inhoudelijk mondeling kan worden behandeld. Op deze manier had er aanstonds beslist kunnen worden over (een beperking van) het contact tussen de vader en [minderjarige] op 18 september 2020. Dit is niet gebeurd en de kinderrechter betreurt deze gang van zaken dan ook, mede gelet op de emoties die dit bij de ouders, bij de vader in het bijzonder, heeft opgeroepen.

De kinderrechter komt, mede gelet op voorgaande, tot de conclusie dat de e-mail van 18 september 2020 niet als schriftelijke aanwijzing kan worden beschouwd. Los van het feit dat de GI juridisch gezien de mogelijkheid niet heeft om middels een schriftelijke aanwijzing het contact te beperken, is de e-mail naar haar uiterlijke verschijningsvorm geen schriftelijke aanwijzing. Een schriftelijke aanwijzing behoort op schrift te zijn gesteld en dient de motivering en vermelding van mogelijke rechtsmiddelen tegen de aanwijzing te bevatten. Er is na de e-mail door de GI geen schriftelijke aanwijzing nagezonden waarin het (voorgenomen) besluit is bevestigd, noch bevat de e-mail een deugdelijke motivering en de vermelding van mogelijke rechtsmiddelen. In zoverre voldoet de e-mail van 18 september 2020 dus niet aan de vereisten, die aan een schriftelijke aanwijzing worden gesteld. De kinderrechter concludeert dat de GI middels de e-mail heeft geprobeerd de veiligheid van [minderjarige] te waarborgen en de zorgregeling doorgang te laten vinden, totdat zij over meer informatie beschikte om een definitief besluit te nemen. Zij had hiertoe, zoals hiervoor is overwegen, een ander middel moeten inzetten.

Gelet op het vorenstaande komt de kinderrechter niet toe aan het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren danwel te schorsen. Bij dit verzoek heeft de vader tevens geen belang meer nu de bij beschikking vastgestelde zorgregeling thans weer hervat is. Dit deel van het verzoek zal dan ook worden afgewezen.


Ga terug