Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Deskundigenrapport op basis van horen zeggen en pleegouders die zichzelf beoordelen? Naar het oordeel van de rechtbank komt deze werkwijze de objectiviteit niet ten goede

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

De GI heeft, ter onderbouwing van haar verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing bij de pleegouders, het TOS-rapport in het geding gebracht. De belangrijkste conclusie uit het TOS-rapport is dat een terugplaatsing van [voornaam minderjarige] bij haar ouders niet in haar belang wordt geacht. Ook wordt in het TOS-rapport aanbevolen om de plaatsing van [voornaam minderjarige] bij haar pleegouders te handhaven. De rechtbank is echter van oordeel dat het TOS-rapport in deze niet gevolgd dient te worden.

De conclusies en aanbevelingen uit het rapport zijn tot stand gekomen aan de hand van waarnemingen van een observant van de omgangscontacten tussen de ouders en [voornaam minderjarige] . Het rapport is geschreven door dr. [naam deskundige] . Zij verricht zelf geen observaties, maar baseert haar conclusies in haar rapport uitsluitend op de observatieverslagen en de vragenlijsten die door de ouders en de pleegouders zijn ingevuld. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de waarnemingen van één enkele observant echter niet volledig objectief genoeg te achten. Inter-beoordelaarsonderzoek of controle door het scoren van video-opnames door meerdere mensen ontbreekt. De ambulant werker begeleidt en observeert de ouders. Doordat de observatie-lijsten worden ingevuld door ambulante hulpverleners die ouders ook aanwijzingen geven op pedagogisch vlak, wordt de subjectiviteit naar het oordeel van de rechtbank vergroot. Daarnaast valt op, dat weliswaar de interactie tussen ouders en kind wordt geobserveerd en gescoord, maar niet de interactie tussen de pleegouders en het kind. Die interactie wordt door de pleegouders zelf beschreven in vragenlijsten. Pleegouders scoren zichzelf. Ook kunnen zij aangeven hoe het kind heeft gereageerd na het contact met de ouders. Naar het oordeel van de rechtbank komt deze werkwijze de objectiviteit niet ten goede. Ook pleegouders kunnen immers een doel voor ogen hebben en daarom hun wijze van rapporteren kleuren. Daarnaast is het de rechtbank niet duidelijk waarom voor het overwegen van terugplaatsen een minimumpercentage van 75% positief gescoorde reacties van het kind op iedere ouder wordt gehanteerd. Dit afkap-getal wordt niet nader onderbouwd. Gedragsdeskundigen worden in het geheel niet betrokken bij de rapportages.

Voorts onderschrijft de rechtbank de uitgangspunten van dr. [naam deskundige] over gehechtheidsrelaties niet. Dr. [naam deskundige] gaat in haar model uit van de noodzaak van de gehechtheids- en opvoedingsrelatie die een kind dient te hebben met zijn opvoeders. Ter zitting heeft zij aangegeven dat het moeilijk is om een dergelijke relatie met een kind op te bouwen als het kind niet dagelijks gezien wordt en er slechts korte momenten van contact zijn. Dat voor het aangaan van een gehechtheidsrelatie altijd ook sprake dient te zijn van een opvoedrelatie, wordt niet ondersteund door de gangbare opvatting over hechting van onder meer dr. [naam deskundige 2] . Hechting vindt in de visie van dr. [naam deskundige 2] altijd plaats, al kan deze veilig of onveilig zijn. Bovendien kan in haar visie een kind zich aan meerdere personen hechten, zoals bijvoorbeeld aan ouders en pleegouders. Naar het oordeel van de rechtbank is de onderbouwing van het TOS-rapport, gelet op het voorgaande, onvoldoende om nu reeds de conclusie te kunnen dragen dat het toekomstperspectief van [voornaam minderjarige] niet meer bij de ouders ligt.

Dr. [naam deskundige] beschrijft [voornaam minderjarige] als een kind met vele problemen op meerdere vlakken. Nader onderzoek is gewenst. Ook de rechtbank acht het beschreven gedrag van [voornaam minderjarige] zeer zorgelijk. Er zal dan ook psychologisch en/of psychiatrisch onderzoek moeten plaatsvinden naar eventuele kindeigen problematiek van [voornaam minderjarige] . Voorts dient er een goed beeld te komen van de opvoedmogelijkheden van de ouders, juist in het licht van de kindeigen problematiek. Het perspectief van [voornaam minderjarige] kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden bepaald zolang zij niet nader is onderzocht. Als uit het onderzoek blijkt wat de kindeigen problematiek is van [voornaam minderjarige] , welke hulp zij nodig heeft en wat dat vraagt van haar opvoeders, kan daarna worden bezien of de ouders haar dat kunnen bieden.


Ga terug