Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

De Hoge Raad heeft op 24 juni 2011 besloten dat ook cassatie kan worden ingesteld tegen gesloten plaatsing

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

3.5 Hiertegen is middel I gericht. Het neemt tot uitgangspunt dat belang ontbreekt aan een hoger beroep tegen een kinderbeschermingsmaatregel die ten tijde van de beslissing van de beroepsrechter al niet meer van kracht is omdat de periode waarvoor die maatregel is gegeven reeds is verstreken. Dit is echter volgens het middel anders indien, zoals in het onderhavige geval, een jeugdige aanvoert dat hij aanspraak wil doen gelden op vergoeding van schade die hij geleden heeft doordat hij, ten gevolge van een machtiging tot plaatsing in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg die de kinderrechter niet had mogen geven, ten onrechte of op onjuiste gronden van zijn vrijheid is beroofd.

3.6 Een dergelijk belang is tot dusverre in de rechtspraak van de Hoge Raad niet erkend als een belang dat genoegzaam is voor het aanwenden van een rechtsmiddel (vgl. HR 26 januari 1996, nr. 8673, NJ 1996/377). Uit de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in de zaak S.T.S. tegen Nederland van 7 juni 2011, no. 277/05 valt evenwel af te leiden dat het in art. 5 lid 4 EVRM neergelegde recht voor een ieder aan wie door "arrestatie of detentie" (hierna: vrijheidsbeneming) zijn vrijheid is ontnomen om spoedig de rechter te laten beslissen over de rechtmatigheid van zijn vrijheidsbeneming, meebrengt dat een door een jeugdige ingesteld rechtsmiddel tegen een machtiging tot uithuisplaatsing in een gesloten inrichting niet reeds daarom mag worden verworpen omdat de periode waarvoor die machtiging gold ten tijde van de uitspraak over dat rechtsmiddel reeds is verstreken. Het EHRM oordeelde (§ 61) dat een voormalig gedetineerde een rechtens relevant belang erbij heeft om, ook nadat hij weer op vrije voeten is gesteld, de rechtmatigheid van zijn detentie te laten toetsen teneinde, bijvoorbeeld, zijn in art. 5 lid 5 EVRM gewaarborgde recht op schadevergoeding te kunnen verwerkelijken aan de hand van een rechterlijk oordeel dat geen ruimte meer laat voor enige veronderstelling dat het detentiebevel reeds daarom rechtmatig is omdat het gegeven is door een daartoe volgens het nationale recht bevoegde autoriteit.

3.7 Deze uitspraak van het EHRM geeft de Hoge Raad aanleiding om van zijn "geen-belang" rechtspraak terug te komen als hierna uiteengezet.
Aangenomen moet worden dat aan degene die een rechtsmiddel instelt tegen een tijdelijke maatregel als gevolg waarvan hem zijn vrijheid is ontnomen, zijn procesbelang niet behoort te worden ontzegd op de enkele grond dat de periode waarvoor die maatregel gold inmiddels is verstreken.
Dat belang zal hem ook niet mogen worden ontzegd op de grond dat hij niet heeft aangevoerd dat hij beoordeling van de rechtmatigheid van de maatregel verlangt teneinde een aanspraak op schadevergoeding geldend te kunnen maken, noch ook op de grond dat hij geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan aannemelijk is dat hij enige voor vergoeding in aanmerking komende schade heeft geleden.

3.8 Het middel is derhalve, ook al bepleit het een minder ver gaande wending in de rechtspraak van de Hoge Raad dan uit het voorgaande volgt, gegrond.

3.9 De in middel II aangevoerde klachten zijn gericht tegen de beslissing van het hof in het hoger beroep tegen de beschikking van de kinderrechter van 23 maart 2010.
De Hoge Raad zal deze klachten buiten behandeling laten, zodat de verwijzingsrechter, die thans alsnog de door de jeugdige tegen de beschikking van de kinderrechter van 25 februari 2010 aangevoerde grieven inhoudelijk zal moeten behandelen, ook de grieven tegen de beschikking van 23 maart 2010 opnieuw zal moeten behandele


 


Ga terug