Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

De GI had alles op alles moeten zetten om de kinderen bij de moeder te kunnen laten blijven

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Het hof overweegt het volgende. Ingevolge artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

5.5

Evenals de kinderrechter en op dezelfde gronden als de kinderrechter, die het hof overneemt en, na eigen afweging, tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat niet voldaan is aan de hiervoor vermelde wettelijke vereisten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat naar het oordeel van het hof uit het raadsrapport van 20 november 2020 een duidelijke opdracht aan de gecertificeerde instelling volgt, namelijk dat alle mogelijkheden dienen te worden onderzocht, en de opvoedcapaciteiten van de beide ouders in kaart dienen te worden gebracht, alvorens eventueel te komen tot de verregaande maatregel van een uithuisplaatsing. Het hof is er op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet van overtuigd geraakt dat de gecertificeerde instelling zich aan die opdracht heeft gehouden en zich voldoende heeft ingespannen om alle mogelijkheden te onderzoeken om de minderjarigen bij de moeder thuis te houden. Ook in de periode na de bestreden beschikking heeft de gecertificeerde instelling deze opdracht onvoldoende opgepakt. Dit terwijl sprake is van een moeder die voor alle hulp openstaat en zich ten volle inzet om te zorgen dat zij vooruitgang boekt. Daarnaast is niet, althans onvoldoende, concreet gebleken dat het, zoals de gecertificeerde instelling stelt, op dit moment slechter gaat met de minderjarigen en dat sprake is van hechtingsproblematiek. De gecertificeerde instelling heeft pas vanaf februari 2021 de extra ondersteuning van Gemiva ingezet in het gezin van de moeder. Daarnaast heeft de gecertificeerde instelling nagelaten om te onderzoeken in welke mate het betrokken netwerk van de moeder (haar zus, haar vader en zijn partner, haar neef en nicht) kan worden ingeschakeld om de moeder te ondersteunen en op gezette tijden te ontlasten bij de opvoeding en verzorging van de minderjarigen. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat er op dit moment onvoldoende is gesteld of gebleken om te concluderen dat de moeder over onvoldoende opvoedvaardigheden beschikt om zelf voor de minderjarigen te zorgen en dat een uithuisplaatsing van de minderjarigen noodzakelijk is. Naar het oordeel van het hof is verder onderzoek, zoals een netwerkonderzoek of een gezinsopname, dan wel een onderzoek door het NIFP, nodig alvorens tot een definitieve conclusie te komen.

5.6

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd.


Ga terug