Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Criteria beeindiging gezag

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

In de Memorie van Toelichting zijn een aantal factoren genoemd die van belang zijn bij de afweging of een gezagsbeëindiging is aangewezen indien een minderjarige in een pleeggezin is geplaatst:

  • -

    er dient duidelijkheid te bestaan over het opvoedings- en ontwikkelingsperspectief van het kind, zodat het zich volledig en harmonieus kan ontwikkelen;

  • -

    verlenging van de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing over een reeks van jaren, is in beginsel geen wenselijke maatregel omdat daarmee de onzekerheid over het opvoedingsperspectief blijft voortbestaan;

  • -

    aan het belang van het kind bij continuïteit van zijn opvoedingssituatie en een ongestoord hechtingsproces dient zwaarwegende betekenis te worden toegekend;

  • -

    enkel de bereidheid van de ouder met gezag om zich niet te verzetten tegen de uithuisplaatsing van het kind, mag niet doorslaggevend zijn bij toewijzing van het verzoek tot beëindiging van het gezag.

7.6.

De rechtbank overweegt als volgt. Het ijkpunt voor het bepalen van de in artikel 1:266 bedoelde termijn is de periode van onzekerheid die het kind kan overbruggen zonder verdergaande ernstige schade voor zijn ontwikkeling op te lopen. Het hangt van de leeftijd en de ontwikkeling van de minderjarige af, wat een redelijke of aanvaardbare termijn is. Weliswaar wordt over het algemeen voor jongere kinderen een kortere termijn gehanteerd dan voor oudere kinderen, in het onderhavige geval is echter niet gebleken van enige onzekerheid bij [roepnaam minderjarige] noch is deze door de Raad aannemelijk gemaakt. Ter zitting is door de GI expliciet verklaard dat [roepnaam minderjarige] geen onzekerheid ervaart over haar verblijf in het pleeggezin.


Ga terug