Stichting KOG
U bekijkt nu de pagina: Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing
<< vorige pagina   
print pagina
 

Bjz kan niet zeggen wanneer er plaats is voor uithuisplaatsing: uhp afgewezen

Jurisprudentie i.v.m. uithuisplaatsing >>

Mevrouw Lont heeft ter zitting, namens BJZ, het verzoek toegelicht en daarbij het volgende naar voren gebracht. De ouders hanteren twee verschillende opvoedingsstijlen en hebben daar regelmatig conflicten over. De onderlinge verwijten daarover zorgen voor veel spanningen en belemmeren de ontwikkeling van [minderjarige]. [minderjarige] vertoont zelfbepalend gedrag en lijkt de spanningen in de thuissituatie te ontlopen. Bovendien zijn er zorgen over onder meer de uitspraken die [minderjarige] op school heeft gedaan, [minderjarige] schoolprestaties en dat [minderjarige] van drank wordt voorzien door een jongen die hij via internet kent. Op dit moment zijn alle gezinsleden structureel overbelast en zijn de verschillende opvoedingsstijlen ingesleten in het gezin. Volgens BJZ zou het goed zijn wanneer dit patroon doorbroken wordt door [minderjarige] tijdelijk uit huis te plaatsen. Op die manier kunnen problemen in de thuissituatie opgelost worden en kan [minderjarige] tot rust komen.

2.2.

De ouders hebben ter zitting het volgende medegedeeld dat zij niet achter het verzoek van BJZ staan. Zij erkennen dat zij in het verleden fouten hebben gemaakt, maar zijn zich daar nu van bewust. Het gaat de laatste tijd beter en de ouders hebben zich voorgenomen beter naar elkaar te luisteren, afspraken te maken en zich daar aan te houden. De ouders zijn dan ook van mening dat [minderjarige] thuis kan blijven wonen.

2.3.

Op grond van de verkregen informatie is de kinderrechter van oordeel dat gelet op het bepaalde in artikel 1:261, lid 1, Burgerlijk Wetboek, de uithuisplaatsing van [minderjarige] niet noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.

2.4.

De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Hoewel er sprake is van ernstige zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] acht de kinderrechter het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing niet in het belang van [minderjarige]. Zowel [minderjarige] als ouders verzetten zich tegen uithuisplaatsing en hebben aangegeven hun best te willen doen om in gezinsverband de problemen op te lossen. De ouders erkennen dat zij bepaalde zaken onderschat hebben en te weinig hebben geluisterd naar elkaar en naar de kinderen. Ter zitting heeft de gezinsvoogd niet kunnen aangeven op welke termijn [minderjarige] bij Intermezzo geplaatst zou kunnen worden. Dat betekent dat een machtiging op dit moment dan ook geen oplossing voor de huidige zorgen biedt. De kinderrechter zal het verzoek dan ook afwijzen


Ga terug